Hoe de Eritrese bevrijdingsstrijd uitmondde in een trauma

Diaspora-belasting

„Natuurlijk dragen we een deel van ons inkomen af”, kreeg correspondent Koert Lindijer in 1986 te horen in de Eritrese loopgraven.

Correspondent Koert Lindijer in 1986 op een buitgemaakte Ethiopische tank in 'bevrijd gebied' Foto archief Koert Lindijer

Neghesti, moeder van vijf kinderen, woonde in Keulen en reisde in 1986 met haar acht jaar oude dochtertje naar de loopgraven van Eritrea om haar man te bezoeken. Ze behoorde tot een groepje Eritrese vluchtelingen in Europa dat een toeristisch uitstapje maakte langs de frontlinie tussen het Eritrese Volksbevrijdingsfront (EPLF) en het Ethiopische leger.

„Natuurlijk staan we een deel van ons inkomen af aan het EPLF. Met volle overtuiging”, zei ze tegen mij toen ik haar ontmoette. Ruim dertig jaar later is die vanzelfsprekende solidariteit verdwenen. Het EPLF, dat nu de regering vormt, heeft de steun van de jeugd verloren die massaal het land ontvlucht. De afgedwongen diaspora-belasting is omstreden geworden. Deze week zette Nederland de hoogste Eritrese diplomaat in Den Haag uit.

Langs een droge rivierbedding woonde de secretaris-generaal van het EPLF, Isaias Afewerki, in een onderkomen van opgestapelde stenen, geplukt uit het landschap om de Ethiopische bommenwerpers te misleiden. Gekleed in spijkerbroek en T-shirt wijdde de huidige president van Eritrea in 1986 tegen me uit over de tekortkomingen van Afrikaanse leiders. „Het is een kwestie van onderontwikkeling”, legde hij uit. „De heersers van Afrika luisteren niet naar hun onderdanen”.

Isaias Afewerki. Foto Koert Lindijer

Nooit op je knieën

Met de strijdkreet ‘Ga nooit op je knieën’ vochten de Eritreeërs van 1961 tot 1991 tegen het Ethiopische leger, het grootste van zwart Afrika. Ze werden daarbij gesteund door ballingen in Europa. Het was de langdurigste en meest verbeten oorlog van het continent. „Morele en fysieke moed is ons eigen”, zei Isaias.

De bevrijding is mislukt. Het EPLF, dat de onafhankelijkheid bracht en in 1991 onder president Isaias de regering vormde, heeft zijn revolutie verraden en zich vervreemd van de bevolking. Bij hun leergang voor het nieuwe Eritrea konden de rebellen van Isaias rijkelijk putten uit de ervaring van jonge Afrikaanse naties na de jaren zestig. Met afgrijzen hadden ze gezien hoe de euforie van de onafhankelijkheid was gesmoord door politieke machtswellust, economisch wanbeheer en corruptie. Ze analyseerden dit falen en trokken hun conclusies. Dus beloofde de Eritrese regering bij de onafhankelijkheid pluralisme, de economie van de vrije markt en een sterk vertrouwen op eigen kracht. Eén cruciaal onderzoek lieten de rebellenleiders echter achterwege, namelijk een analyse van zichzelf.

In een ruw berglandschap hadden de verzetsstrijders zichzelf gevormd in hun bevrijde gebieden. Ze bouwden er ondergrondse ziekenhuizen en zetten fabriekjes op die producten maakten variërend van maandverband en aspirientjes tot schoenen en kleren. Geen enkele Afrikaanse verzetsbeweging deed zoveel voor haar onderdanen.

Foto Koert Lindijer

Ik offer me op

Een voormalige EPLF-soldaat vertelde me in 1992: „Iedere strijder had hetzelfde gevoel: ‘ik offer me op voor mijn land’. Als je vrienden sneuvelden, ging je juist harder vechten. Het geknetter van de kogels klonk als muziek, je wilde doorgaan tot je pijn in je vinger kreeg van de trekker. We hadden een geest van Spartanen”.

Maar Spartanen horen bij oorlog, niet bij vrede en democratie. In het ondergrondse ziekenhuis van Orota ontmoette ik in 1986 de arts Assefaw Tekeste. Na de bevrijding wees hij me op de menselijke schade. „Jarenlang leefden de Eritreeërs onder de terreur van de oorlog. Velen gaan door diepe depressies. Vijftigduizend EPLF-soldaten sneuvelden. Bij de 95.000 strijders die overbleven verwacht ik later psychische problemen”.

Dat gevoel van een gezamenlijk doel te hebben, dat idealisme, de tolerantie van het bushdebat, al deze karakteristieken van de bevrijdingsstrijd groeiden onder president Isaias meer uit tot een trauma dan tot een leidraad. Wie zich niet conformeerde, werd herinnerd aan de harde strijd in de bush. De leiders misbruikten de idealen om van Eritrea een kille politiestaat te maken. De staat die vele Afrikanen twintig jaar geleden zagen als de hoop van het continent, werd de grootste teleurstelling.

Foto archief Koert Lindijer

Grensoorlog

Foto Koert Lindijer

Juist toen een jongere generatie Eritreeërs zich begon af te wenden van de krijgstucht uit het verleden dwong Isaias hen opnieuw naar de frontlinie om het vaderland te verdedigen. Van 1998 tot 2000 vochten Ethiopië en Eritrea een grootschalige grensoorlog waarbij honderdduizend doden vielen. Daarna gebruikte Isaias de militaire discipline om iedere vorm van oppositie uit te schakelen na kritiek binnen het EPLF op zijn regeerstijl. De Eritrese president schaarde zich daarmee in de rij van Afrikaanse bevrijders die potentaten werden. De militaire karakteristiek van een bevrijdingsstrijder blijkt geen deugd voor een democratische politicus.

„De methodologie van de bevrijdingsstrijd werd voortgezet door de regering”, zegt Michela Wrong, Brits auteur van twee boeken over Eritrea. „De diaspora -belasting van tijdens het verzet is nu een manier om ballingen te controleren”.

De oude garde eist met een verwijzing naar de bevrijdingsstrijd nog steeds de macht op maar deze elite is door ouderdom en politieke moorden uitgedund. „Jongeren verlaten het land en een coup van jonge officieren mislukte drie jaar geleden”, zegt Wrong. „Van de heersende kliek van een paar bejaarde generaals rond Isaias valt geen nieuwe ideeën te verwachten. Het is heel droevig wat er met Eritrea is gebeurd”.

Lees ook: Oppositie in Eritrea: ‘We bidden dat deze regering verdwijnt’