Zo kan de euro nieuwe stijl eruit komen te zien

Euro Veertien economen uit Duitsland en Frankrijk willen de ‘patstelling’ doorbreken in het debat over de toekomst van de eurozone. Ze willen risicodeling op zijn Frans én marktdiscipline op zijn Duits.

In Griekenland leidde de strikte naleving van begrotingsregels en bezuinigingsmaatregelen door de EU regelmatig tot demonstraties Foto Foto Louisa Gouliamaki/AFP

Het lijkt een onmogelijke opgave: het verenigen van de twee grote scholen in het debat over de toekomst van de euro. De ene school, met aanhangers in vooral Zuid-Europa en in de Angelsaksische wereld, ziet het als onvermijdelijk dat de eurolanden meer risico’s met elkaar gaan delen en politiek integreren. De andere, ‘Duits-Nederlandse’ school hamert op begrotingsregels en marktdiscipline, bang als zij is voor permanente geldstromen naar Zuid-Europa.

Onverenigbaar? Nee, menen veertien economen uit Duitsland en Frankrijk. Woensdag publiceerden ze een blauwdruk voor een ‘eurozone nieuwe stijl’, waarin ze de twee kampen willen „verzoenen”. De economen – uit elk land zeven – zijn niet de minsten. Clemens Fuest zit erbij, de baas van het gerenommeerde Duitse IFO-instituut, en Markus Brunnermeier, hoogleraar aan Princeton. Aan Franse zijde schreef Jean Pisani-Ferry mee, adviseur van de Franse president Emmanuel Macron, evenals Nicolas Véron, van de denktank Bruegel.

Het eerste wat opvalt aan het stuk is wat er níet in staat: de veelbesproken ideeën die Franse en Duitse politici de laatste tijd hebben gelanceerd. De economen bepleiten géén Europese minister van Financiën en ook géén aparte begroting voor de eurozone, allebei stokpaardjes van Macron, waarvan Pisani-Ferry dus nu opvallend genoeg afstand neemt. De term ‘Europees Monetair Fonds’, die ook opduikt in het Duitse coalitieakkoord, schuwen de economen.

Ze zien meer in pragmatische oplossingen die de „patstelling” doorbreken tussen de aanhangers van „risicodeling” en de fans van „marktdiscipline”. Volgens de veertien economen kan het een niet zonder het ander. Hun voorstellen zijn niet allemaal even nieuw, maar samen vormen ze wel een gedetailleerd Frans-Duits compromis waar de politiek met belangstelling naar zal kijken.

Weg met de 3-procentsregel

Misschien wel het meest in het oog springend is dat de economen af willen van de huidige begrotingsregels, waarin het overheidstekort (dat nu maximaal 3 procent van het binnenlands bruto product (bbp) van een land mag bedragen) centraal staat. De focus op het tekort betekent soms dat landen tijdens een recessie verder moeten bezuinigen. Ondertussen worden te hoge staatsschulden niet goed aangepakt, menen de economen. Daarom stellen ze voor elk land een afzonderlijk uitgavendoel vast, dat afhangt van de hoogte van de staatsschuld. Dat betekent: meer flexibiliteit om met overheidsgeld een crisis te bestrijden. Maar daar staat marktdiscipline tegenover. Een land met een te hoge schuld mag alleen nog maar lenen tegen speciale, extra dure voorwaarden. Dit is een idee van Fuest, dat hij kennelijk doorzette bij zijn Franse collega’s.

Ook opvallend: een voorstel uit het Nederlandse regeerakkoord kan op steun rekenen in het Frans-Duitse artikel. Dit is het idee dat uit de klauwen gelopen staatsschulden (denk aan de Griekse schuld van meer dan 180 procent van het bbp) in crisissituaties moeten worden geherstructureerd. Niet de andere eurolanden, maar beleggers die de staatsschuld in bezit hebben, moeten dan opdraaien voor de ellende. Dit zou de hulpprogramma’s van noodfonds ESM moeten verkleinen. Een typisch voorbeeld van marktdiscipline op z’n Noord-Europees. Maar, zeggen de economen: om voortijdig onrust op de markten te voorkomen moet het mechanisme „geleidelijk” worden ingevoerd, het ESM moet worden versterkt voor als het echt mis gaat en er moeten tegelijkertijd maatregelen komen die zwakke landen helpen.

Zo’n maatregel is een fonds om economische schokken in lidstaten op te vangen. Als de werkloosheid in een land een bepaalde grens overstijgt, zou dit land het fonds kunnen aanboren, staat in het stuk. Het is een miniversie van de ‘begroting’ voor de eurozone die Macron bepleit, en eentje waarin de zeven Duitse economen waarschijnlijk met de rode pen door de tekst zijn gegaan. Want, zo staat er, zo’n fonds mag niet leiden tot „permanente transfers” naar zwakke landen. Daarom moeten landen die van het fonds gebruik maken, ook meer inleggen.

Beste van twee werelden?

Overal in het plan is zichtbaar dat het een (Frans-Duits) compromis is. Zo steunen de economen een Europees depositogarantiestelsel, maar alleen als banken (lees: vooral Italiaanse banken) minder staatsleningen van het eigen land op de balans hebben. Euro-obligaties worden niet genoemd, maar wel een afgeleide variant daarvan. De economen suggereren een nieuw financieel product (‘synthetic euro area safe asset’) dat ‘doet alsof’ het een eurobond is. Dit derivaat heeft namelijk als onderpand een mandje van staatsleningen uit de eurolanden. Steun voor (varianten van) eurobonds is er vooral in Frankrijk. Typisch Duits is dan weer het pleidooi van de economen voor onafhankelijker, minder politiek begrotingstoezicht.

Wat betekent dit allemaal voor Nederland? In elk geval is duidelijk: een ontwerp voor een Frans-Duits compromis ligt nu op tafel. In de eurozone zal niet alles bij het oude blijven. Nederlanse politici schieten bij voorstellen voor de eurozone vaak in een angstreflex, maar een misverstand is dat Nederland zelf niets wil. In het regeerakkoord van Rutte-III staat weliswaar dat „(vormen van) eurobonds” en het opvangen van economische schokken op eurozone-niveau worden afgewezen, maar het kabinet pleit ook vóór zaken die in het economenplan staan, zoals schuldherstructurering en een betere risicoweging van staatsleningen op bankbalansen. Voor die zaken is dus ruimte – maar alleen als deel van een compromis.

Lees ook dit opiniestuk van Wolfgang Münchau: Radicaal Duits coalitie-akkoord: meer Europa
    • Mark Beunderman