Tim Knol.

Foto Andreas Terlaak

Tim Knol wil nooit meer afhankelijk zijn

Tim Knol

Na een sabbatical en een rocktournee is singer-songwriter Tim Knol terug met zijn vierde album ‘Cut The Wire’. Het schrijven van de nieuwe liedjes was „lekkere therapie”.

Hij stond er met zijn neus bovenop, vorige week bij de vinylfabriek in Haarlem. En keek mee hoe zijn muziek gemasterd werd voor vinyl - die warme analoge sound stelt nooit teleur - en hoe in de snijkamer vervolgens de groeven kwamen in de koperen moederplaat. Het resultaat houdt zanger/gitarist Tim Knol, glunderend met het gezicht van een kind met een goed rapport nu in zijn handen: wit vinyl in een mooie tropische hoes.

„In een platenwinkel kan ik echt vallen voor hoezen”, zegt Knol. „Mooie hoezen maken me altijd nieuwsgierig. Deze afbeelding van een botanische tuin in Engeland komt van een glaspositief uit 1890. Prachtig hoe die palmbladeren handgekleurd zijn. Ik weet de herkomst niet. Hij komt uit mijn collectie fotonegatieven. Het is een wat willekeurige verzameling die ik in scan en archiveer, met nadruk op het leven in de jaren veertig, vijftig, zestig in Amerika. Of cowboy’s en indianen, die vind ik ook leuk.”

Nog altijd jongensachtig oogt Tim Knol (28), met die wat geloken glansogen en de innemende, nuchtere West-Friese uitstraling van een gewone jongen uit Hoorn, die vrolijk kan vertellen wat er nu toch weer is gebeurd. Maar, precies tien jaar na zijn debuut, is er ook een wat ‘volwassener’ gevoel. Cut The Wire is zijn vierde album, maar de eerste die de singer-songwriter Tim Knol in zijn eigen studio heeft opgenomen en samen met muzikant Anne Soldaat heeft geproduceerd. Het is een warmtonig, melodieus gitaaralbum dat vertrouwd aanvoelt. De liefde voor Americana-muziek voert weer de boventoon. Maar hoe vrolijk en onbekommerd op het eerste gehoor, dit zijn vooral liedjes die Knols gemoed hebben opgeruimd.

Een forse tegenwind noopte Tim Knol de afgelopen jaren tot herdefiniëren. Hij zag zijn halve band weglopen naar zanger Douwe Bob. Hij zag vriendschappen stranden. Had een flinke financiële tegenslag door zakelijk mismanagement. En overwoog, toen hij het muzikale vuur voor zijn eigen muziek enkel voelde doven, van fotografie zijn vak te maken.

Er viel, kortom, wat van zich af te schrijven, zegt Knol in het gezellig rommelige clubhuiskantoor van zijn indielabel Excelsior, op een steenworp van de plek waar het veerpontje in Amsterdam-Noord aankomt. Met een laconieke blik: „Lekkere therapie was dat wel.”

Zachtmoedige countryrock

Achttien was hij toen hij ontdekt werd door zijn platenlabel. Anderhalf jaar later verscheen zijn gelijknamige debuut Tim Knol, in 2010. Met een gulle stem zong hij zachtmoedige, overtuigende countryrock. Vanaf zijn eerste optreden op popfestival Noorderslag klonk zijn naam. De teneur van recensies: hoe volwassen die Knol wel niet klonk. „Matthijs van Nieuwkerk vergeleek me in DWDD zelfs met Neil Young”, vertelt Knol. „Een wat bizarre vergelijking voor zo’n jong ventje als ik. Want het was natuurlijk allemaal zeer postpuberaal. Als ik mijzelf nu hoor zingen op die eerste albums hoor ik een piepjong ventje. Ielige zang, veel heesheid, ik wist nog helemaal niet hoe ik moest zingen. En mijn middelbare school-Engels was nog zeer matig, haha.

„Als nieuwe Neil Young werd ik overigens afgemaakt in een NRC-column van Frits Abrahams. Wat die Tim Knol wel niet dacht! Nou, niet zoveel, kan ik je zeggen.”

Gedurende wat Knol beschrijft als ‘gouden jaren’ werd zijn vintage jaren zestig popsound overal gevierd. „Pinkpop, Lowlands, ik stond overal. Alles leek tot dat moment vanzelf te gaan.” Hij kon zichzelf nauwelijks bijbenen. „Er leek geen eind aan te komen. Drie jaar was het non-stop. Maar rond het derde album Soldier On viel ik plat op mijn smoel. Zo voelde het tenminste.”

Middels een persbericht meldde de toen 23-jarige dat hij een sabbatical ging nemen. Achteraf, denkt hij, had hij dat nooit zo moeten verkondigen. Rust moet je gewoon pakken. „Want van zo’n boodschap werd mijn band erg onrustig. Oké, en wij dan? Zij moeten ook werken natuurlijk. Ik heb in die tijd eens tegen Douwe Bob gegrapt dat hij mijn band wel mocht hebben. Nou, dat wilde hij zeker. Twee weken later stapten ze over. Het was zeer pijnlijk voor me en ik trok me de haren uit mijn kop. En ik heb dat niet zo handig op ze afgereageerd.”

‘My steps upon the sidewalk they brought you to the mainroad’, zingt hij in ‘Weight of Clouds’. „Ik ben goed hoor met Douwe, hij werkte ook nog mee aan een paar nieuwe liedjes. Maar het voelt soms wel alsof ik het pad voor hem geëffend heb. Waarschijnlijk trouwens dacht een aantal bandleden dat het plafond met mij wel was bereikt. En ik denk dat er grotere ambities waren, zeker voor mijn beste muziekvriend en manager van toen, toetsenist Matthijs van Duijvenbode. Douwe Bob is veel populairder, en ambieert dat ook veel meer.”

De reacties op zijn terugkomst met eigen muziek doen hem wel goed. Al was de stilte sinds zijn laatste solo-album i 2013 relatief. Een ongecompliceerde rock-’n-roll-tournee met The Miseries hielp hem uit de put – aftikken, gaan en veel lol maken. Hij werkte aan film- en documentairemuziek. Brouwde zijn eigen IPA-bier („Het was een goed biertje, erg lekker. Ik dacht aan mijn singles bij kratjes bier, maar we misten een investeerder”). Verhuisde van Hoorn met zijn meisje naar een woonboot in Amsterdam. Al had dát nou weer niet per se voor hem gehoeven want Knol kan de rust, de vrijheid van het IJsselmeer vlakbij zijn ouderlijk huis van Hoorn soms ontzettend missen.

Navelstreng doorknippen

Cut The Wire staat voor zijn nieuwe onafhankelijkheid. „Een journalist noemde het de navelstreng doorknippen. Wat een verschrikkelijk beeld. Maar goed. Ik wil dus nooit meer afhankelijk zijn van anderen.” Hij doet nu zijn eigen management. En hij kocht zich in bij twee goede vrienden met een studio in Hoorn. „Ooit hielpen ze me met mijn eerste demootje op mijn zeventiende dat me toen een platencontract opleverde.”

Anderhalf jaar werkte Tim Knol aan de nummers, die de ingetogen touch van zanger/gitarist Anne Soldaat hebben. „Het voelde heerlijk om zonder druk te werken. Niet vanuit de oude drijfveer dat er snel iets nieuws moet komen, maar om iets te maken waar je zelf kriebels van krijgt.”

Zijn afkeer voor de commerciële kant van de muziekindustrie bezingt hij in ‘Echoes of laughter’, over die „vieze” wereld waar geld en scoren de dienst uitmaken. „Iets als de The Voice Kids vind ik wanstaltig. Dat kinderen van een jaar of acht, negen al zo worden uitgebuit door Talpa, de kledingmerken. Mijn kinderen zou ik daar nooit aan mee laten doen.” Het stoort hem op veel vlakken. „Dat je op radiostations voor je nieuwe album komt, en dan ook een cover moet spelen. Of mee moet geinen bij een spelletje. Je doet het allemaal gewoon, maar je moet bijna een soort cabaretier zijn.” Hoewel hij natuurlijk wel graag op de radio wordt gedraaid. „Ik ga overal naartoe, behalve flauwe lachradio als Radio 538. Maar daar zal ik toch niet voor gevraagd worden, haha.”

Hij doelt op het incident met zangeres Maan die in november ‘als grap’ een streaker voorgeschoteld kreeg tijdens een uitzending van Radio 538. Ze barstte in huilen uit. Toen Knol woest zijn frustratie erover uitte op Twitter („Niemand moet meer naar die kut radiozender gaan om zijn liedje te promoten”), ontplofte de zaak. „Ik was zo kwaad. Dat meisje staat daar te zingen. Misschien wel een heel gevoelig liedje, ogen dicht. En ineens krijgt ze een piemel voor haar neus. Dat is onrespectvol.” Het regende reacties. Ook negatieve. „Mijn inbox stond vol met scheldpartijen. Waar ik me mee bemoeide. En dat het toch goede publiciteit voor Maan was. Mensen zijn soms zo fucked up.”

Zijn joviale vraag op Facebook – ‘Wie heeft er een huiskamer?’ – leverde het afgelopen najaar juist heel veel positiviteit op. Knol dacht aan een stuk of vijf huiskamerconcerten om zijn nieuwe liedjes uit te proberen. Het werden er vijftig, allemaal soloconcerten. Op zijn drukst zat hij vier avonden in de week ergens bij iemand in een huiskamer twee uur lang akoestisch te spelen. „Superintiem”, vond hij. En: „Ze kopen allemaal je plaat na afloop!”

Hij ontwikkelde er zijn eigen stijl in. Om 5 voor half negen binnenstappen met je gitaar. Terwijl de gastheer zich al zorgen begon te maken, zat Knol dan al een uur om de hoek in zijn auto Netflix te kijken. Want: „Er eerder zijn is doodvermoeiend. Blijf ik liever iets langer plakken.” Staand bracht hij zijn liedjes. Publiek moest zitten, want „staan is kletsen”.

Knol was uit op direct persoonlijk contact, met veel grapjes. Dat had hij van Freek de Jonge opgestoken, met wie hij een tijd samenwerkte aan shows. „Hij heeft mij laten zien wat timing is. Hoe je na een verdrietig liedje zo’n beladen wolk weer snel de huiskamer uit krijgt. Dus vraag ik na een traan ineens heel droogjes: iemand wel eens in een stripclub geweest? En dan zelf je vinger opsteken. Haha, dat vind ik humor.”

Correctie (22-01-2018): In de oorspronkelijke versie van dit artikel stond dat Tim Knol achttien was toen zijn debuut uitkwam. Hij was twintig.