Langdurige armoede neemt toe

Een op de twaalf huishoudens in Nederland heeft een laag inkomen en steeds meer huishoudens hebben dat al vier jaar of langer.

Gekregen pakken soep. Een groot risico op armoede lopen onder meer eenoudergezinnen en huishoudens met een laagopgeleide kostwinner. Floren van Olden

Langdurige armoede neemt toe in Nederland. Het aantal mensen dat ten minste vier jaar op rij moet rondkomen van een laag inkomen, bedroeg in 2016 407.000. Dat zijn er 16.000 meer dan een jaar eerder, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek deze woensdag in zijn jaarlijkse armoederapportage. Het CBS baseert zich hiervoor op de belastingaangiften van alle Nederlanders over 2016.

Voor alleenstaanden telt 1.030 euro netto per maand (of minder) als een laag inkomen, voor een stel met twee kinderen ligt die grens op 1.940 euro.

Van alle Nederlandse huishoudens geldt 3,3 procent als langdurig ‘arm’, oftewel: het huishouden is ten minste vier jaar langer ontvanger van een laag inkomen. Een jaar eerder was dat 3,1 procent, in 2014 2,7 procent. Belangrijkste verklaring, aldus CBS-econoom Peter Hein van Mulligen, is dat „steeds meer mensen langdurig in de bijstand zitten. Door de economische crisis zijn ze onder de streep terechtgekomen, en eenmaal een jaar in de bijstand is de kans dat ze eruit raken steeds kleiner.”

Het aandeel huishoudens met een laag inkomen – ongeacht voor hoeveel jaar – is in 2016 niet gedaald, ondanks het economisch herstel. Het bleef gelijk op 8,2 procent. Dat percentage is wel lager dan tijdens de economische crisis. Zo had in 2013 8,9 procent van de huishoudens nog een laag inkomen. Maar in 2011 bedroeg dat cijfer 6,7 procent, en op dat niveau is Nederland nog lang niet terug.

Al sinds 2015 blijft het percentage huishoudens met een laag inkomen steken op 8,2 procent. Dat blijft vermoedelijk ook zo in 2017, meldt het CBS op basis van ramingen door het Centraal Planbureau.

Van Mulligen: „Die hardnekkigheid laat zien hoe heftig en langdurig de economische crisis was. Een grote groep, onder wie veel vijftigplussers en lageropgeleiden, lijkt op de arbeidsmarkt voor langere tijd afgehaakt. Voor die mensen moet het economisch echt nog langere tijd beter gaan voordat ook zij werk vinden.”

Rotterdam heeft verhoudingsgewijs de meeste huishoudens met een laag inkomen, ruim 15 procent. Daarna komen de Groningers, gevolgd door Amsterdammers.

Laag risico 65-plusser

Een groot risico op armoede lopen onder meer eenoudergezinnen en huishoudens met een laagopgeleide kostwinner. Ook alleenstaanden die de AOW-leeftijd naderen zijn kwetsbaar, omdat mensen tussen de 50 en het bereiken van hun pensioen relatief vaker werkloos of arbeidsongeschikt raken. Die situatie verandert met het bereiken van de AOW-leeftijd: het AOW-pensioen komt namelijk uit boven de lage-inkomensgrens, en de meeste ouderen hebben een aanvullend pensioen én inkomsten uit vermogen. Gepensioneerden, schrijft het CBS, „lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minst risico op (langdurige) armoede.”

Van de 7,3 miljoen werkenden liep in 2016 bijna 3 procent risico op armoede. Zzp’ers zijn het meest kwetsbaar: bijna 9,5 procent van hen maakte in 2016 deel uit van een huishouden onder de lage-inkomensgrens. Saillant: werknemers in het openbaar bestuur en bij overheidsdiensten lopen met 0,2 procent verreweg het minste risico op armoe.

Vluchtelingen zijn een verhaal apart. Huishoudens van mensen uit vluchtelingenlanden hadden in 2016 ruim zes keer zo vaak als gemiddeld een laag inkomen. Van de Syrische gezinnen had ruim driekwart een laag inkomen, van de Eritrese 83 procent.

Verwonderlijk is dit niet: het bijstandsinkomen ligt onder de laagtegrens die het CBS hanteert. En vluchtelingen met een verblijfsstatus belanden bijna standaard in de bijstand, zegt woordvoerder Martijn van der Linden van Vluchtelingenwerk Nederland. „Deze mensen hebben nul netwerk, spreken de taal niet, en zelfs al hebben ze een diploma, dan moeten ze dat vaak eerst zien te accrediteren.”

Nederland heeft bovendien lang het beleid gevoerd om vluchtelingen eerst Nederlands te laten leren, om hen pas daarna werk te laten zoeken. Van der Linden ziet nu steeds meer initiatieven om statushouders taalverwerving te laten te combineren met eerste stappen op de arbeidsmarkt. In de CBS-cijfers over 2016 is dat nog niet terug te zien. Wel blijkt het risico op langdurige armoede bij huishoudens met een kostwinner van niet-westerse komaf uit de tweede generatie ruim twee keer zo laag als bij kostwinners uit de eerste generatie. „De tweede generatie is gemiddeld hoger opgeleid en heeft daardoor betere kansen op de arbeidsmarkt”, schrijft het CBS.

Gezondheid slechter

Mensen met lage inkomens hebben ook vaker problemen buiten het geld om. Het aandeel verdachten van een misdrijf is hoger onder groepen met een laag inkomen dan met hogere inkomens, net als het aandeel slachtoffers van misdrijven.

In lage-inkomensgroepen laat ook de gezondheid vaker te wensen over. Zo moet iemand met een laag inkomen erop rekenen dat hij vijftien levensjaren minder doorbrengt in goede gezondheid dan iemand met een hoger inkomen. Mannen met een laag inkomen sterven bovendien gemiddeld vijf jaar eerder dan mannen met een hoger inkomen. Bij vrouwen is dat verschil ruim vier jaar.

Naschrift (31 januari 2018): De genoemde inkomens zijn nettobedragen, dat is hierboven verduidelijkt.

    • Ingmar Vriesema