Jacob van Lennep, circusartiest van de taal

Ewoud Sanders

Morgen wordt in Amsterdam Jacob van Lennep, een bezielde schavuit, gepresenteerd, de langverwachte biografie. Van Lennep (1802-1868) behoort tot de belangrijkste schrijvers van de negentiende eeuw. Daarnaast was hij politicus, jurist en taalkundige.

De biografie is geschreven door Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA. In een radio-interview noemde Mathijsen Van Lennep een taalvirtuoos. „Hij is een soort circuskunstenaar met taal. Hij hoeft maar een handvol woorden in de lucht te gooien en hij maakt er meteen een vers van.”

Van Lennep kon niet alleen mooi en geestig schrijven, hij was ook heel precies. Als jurist ergerde hij zich aan het onzorgvuldige taalgebruik van de overheid. Publicaties van de overheid moesten zo zuiver en helder mogelijk zijn, vond hij. „Want de Taal is het wezen zelf der natie, de adem, welke haar bij hare wording wordt ingeblazen: de ziel, welke haar leven, bewustzijn en beweging schenkt.”

Van Lennep had veel kritiek op de vernieuwde Grondwet van 1840. In 1844 herschreef hij die in een publicatie getiteld Proeve eener verduitsching der grondwet van het Koningrijk der Nederlanden. Het boekje is opgemaakt in twee kolommen: links de oorspronkelijke wetsartikelen, rechts de door Van Lennep herschreven artikelen.

Geestig is Art. 129, waarbij in de rechterkolom slechts drie vraagtekens staan. In een voetnoot schrijft Van Lennep: „Ik heb de taak der overzetting van dit artikel, na herhaalde pogingen, moeten opgeven, en wel om de zeer eenvoudige reden, dat ik het nooit heb verstaan en nog niet versta.”

Jacob van Lennep wist waarover hij het had: hij was gepromoveerd en werkzaam als rijksadvocaat. Dit geschrift had trouwens veel invloed. In 1848 vroeg koning Willem II Van Lennep om de nieuwe Grondwet te ‘hertalen’.

Van Lennep bemoeide zich niet alleen met het formele Nederlands (zo schreef hij een schotschrift tegen ingewikkelde aanspreekvormen in brieven), maar hij had ook een goed oor voor het informele Nederlands.

Hij wandelde graag door de arme buurten van Amsterdam om daar de levende taal te kunnen horen. Die verwerkte hij in zijn romans, onder meer in Ferdinand Huyck (1840). In 1845 schreef hij, op verzoek van een bevriende taalkundige, een boekje getiteld Proeve van Platamsterdamsch.

Gesprekken die hij had opgevangen in Amsterdamse volkscafés geeft hij daarin fonetisch weer. Er staan zinnen in als „Herre jee, Piet, wat ’n lol hebbe we da-ar gehat gustere navend.” En: „Alleenig gepisseerde week hebbek nog een kerreweitje gehat.” Indertijd verschilde de uitspraak van het Nederlands in Amsterdam nog per volkswijk. Zo klonken bewoners van Kattenburg anders dan die van de Haarlemmerstraat, verschillen die Van Lennep optekende.

Van Lennep had ook veel plezier in taalspelletjes. Het bekendst werd zijn E-legende, een tekst uit 1840 die sindsdien een paar maal is herdrukt. Onder het motto „Lees en beef!” schreef deze voorloper van Battus vijf pagina’s vol met woorden waarin als klinker alleen de e voorkomt.

Een klein stukje als voorbeeld: „De lente verdween. […] Berthe verwenscht het leven en het levenswee. Het sterven, denkt ze, geeft vrede: geen leed, geen letsel deert meer. Tegen een berg gezeten, smeekt ze den Hemel, den engel des verderfs te zenden.”

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders