De muziekwereld volgens Willem Venema

Yaël Vinckx schreef een boek over Willem Venema, een van de kleurrijkste poppromotors in Nederland, dat deze week wordt gepresenteerd op Eurosonic. Hoe een hobby een business werd en een business een industrie. Een voorpublicatie.

Willem Venema (links) en Guus Meeuwis. Privécollectie Willem Venema

Justin Bieber kreeg naar verluidt ruim twee miljoen euro voor zijn optreden op Pinkpop, U2 bracht een crew van ruim honderd man mee om hun Joshua Tree-concerten op te bouwen, en sinds begin deze eeuw zorgen speciale hekken ervoor dat festivalbezoekers elkaar niet meer kunnen dooddrukken, zoals bij Pearl Jam in het Deense Roskilde. Zeker, de concertindustrie is geprofessionaliseerd, maar tegenover het grote geld, de grootse producties en de massa’s bezoekers stonden heel lang amateurisme en onervarenheid. Voor bijna alle aspecten van het rockconcert moest het wiel in de afgelopen veertig jaar worden uitgevonden.

Neem de jaren tachtig. Wie in die internetloze dagen een kaartje wil bemachtigen, moet midden in de nacht in een slaapzak op de stoep van het plaatselijke VVV-kantoor gaan liggen. Bij David Bowie moet er politie te paard aan te pas komen om de menigte in de Amsterdamse Leidsestraat in bedwang te houden, bij U2 dwingt de politie Ahoy om de kassa ’s nachts al te openen, uit angst voor ongeregeldheden.

Niet alleen in de aanloop naar het concert gaat het wel eens mis, ook op de dag van het optreden zelf loopt de boel soms in het honderd. De vrachtwagens van Rod Stewart draaien vast in de modder, die van Peter Gabriel staan ’s nachts stil in de file tussen Torhout en Werchter. Om ‘Sledgehammer’ toch op tijd op het podium te krijgen sturen Willem en zijn Mojo-collega John Mulder de truck ten slotte de linkerkant van de weg op, daarbij alle tegenliggers van het asfalt toeterend.

Voor de opbouw van de podia en tribunes worden mensen uit de bouw ingeschakeld, al te vaak werken zij zonder de benodigde veiligheidsmaatregelen. Voor de beveiliging worden leden van de plaatselijke sportclub ingezet. Voor het sjouwen van de apparatuur worden nachtbrakers uit de kroeg opgetrommeld. Nee, erg goed geregeld is het niet. Regelmatig vallen er mensen flauw in het gedrang. Bij Michael Jackson worden zo’n krappe vierhonderd mensen het veld afgedragen, waarna de organisatoren bij het volgende concert hekken plaatsen. Binnen de kortste keren worden die omvergeduwd.

Omdat een gedegen betalingssysteem ontbreekt, worden artiesten en organisatoren vaak in cash uitbetaald. Dat gebeurt vooral in clubs en zalen waar de kaarten aan de deur worden verkocht, maar het komt ook voor bij festivals. De organisator van Torhout/Werchter gooit de opbrengt van de bars in een portakabin; duizenden briefjes van twintig en vijftig franc dwarrelen door de gleuf in de deur. Aan het eind van de dag moet Willem zelf zijn verdiensten bij elkaar graaien. Hij staat tot aan heupen in het papiergeld.

De jaren tachtig brengen een ongekende schaalvergroting in de popmuziek – zowel in plaat als kaartverkoop. Willem moet weinig van die grootschaligheid hebben. Hij hekelt het for the millions-gehalte van pop, dat leidt tot middelmatigheid en vervlakking; ergert zich aan het publiek, dat eerder voor het spektakel dan voor de muziek komt; stoort zich aan het kordon van assistenten, beveiligers en tourmanagers dat de muzikant afschermt.

Willem stormt op ieder moment de kleedkamer in, met grootse armgebaren en wapperende jaspanden, een gewoonte die Sarah Bettens, frontvrouw van de Belgische poprockformatie K’s Choice, doet verzuchten: „Sta ik me om te kleden, halfnaakt, staat Willem ineens naast me. Dat is toch niet plezant.”

Willem Venema met James Brown. Privécollectie Willem Venema

Alleen bij de heel grote sterren moet Willem zijn gewoonte onderdrukken. Hun kleedkamers zijn verboden terrein – zelfs voor flamboyante poppromotors. Soms wordt Willem in zo’n kleedkamer ontboden. Robert Plant, de voormalige zanger van Led Zeppelin, zal twee avonden optreden in de Melkweg in Amsterdam, maar door een misverstand vergeet de afdeling promotie van Mojo te adverteren voor het optreden. Terwijl Willem op zo’n vijftienhonderd bezoekers per avond rekent, worden er in totaal een schamele zeshonderd kaarten verkocht. Als dat nieuws Robert Plant ter ore komt, een paar uur voor het concert, ontbiedt hij Willem direct in zijn kleedkamer.

De doorgaans zo viriele rockster, die backstage gekleed blijkt te gaan in een seksloze witte pyjama, plant demonstratief zijn armen in zijn zij en zegt: „So William, vertel eens. Hoeveel kaarten heb je voor vanavond verkocht?” Willem staart naar de punt van zijn schoenen. „Euh, vierhonderd voor vanavond.”

„Dus ik ben niet zo bekend hier?”

Zenuwachtig trekt Willem een halve cirkel met de punt van zijn schoen. „Nee, ik denk niet dat veel Nederlanders je kennen.”

Robert Plant grijnst. „Curieus.”

Op dat moment gaat de deur open. Een kleine man stapt binnen. Hij is een voormalig manager van Robert Plant, die toevallig in Amsterdam is en besloten heeft zijn oude protegé op te zoeken. Ogenblikkelijk vertrekt Plants gezicht. Zonder een blik op de man te werpen staat hij op, pakt de tafelrand beet, spreidt zijn benen licht en perst zijn lippen op elkaar. Twee seconden later laat hij een enorme scheet. Dan kijkt hij naar Willem en zegt: „Zo vreemd, dat overkomt me nu altijd als zo’n zakkenvullende ex-manager binnenkomt. Dan verlies ik de controle over al mijn spieren.”

Het zijn niet altijd gouden tijden. Na de jaren zeventig, rock’s golden years, met hun experimentele drugs, bewustwording en mijlpaal-albums; de jaren tachtig, concert’s golden years, met hun heroïne-epidemie, doemdenken en stadionconcerten; de jaren negentig, festival’s golden years, met hun pilleneuforie en ongebreideld optimisme, gaan de jaren nul de boeken in als de crisisjaren. Maar in tegenstelling tot de jaren tachtig houdt de rock zich deze keer opvallend stil. In de jaren nul schopt rock tegen niemands schenen. Rock wordt braaf. Concerten worden rookvrij en de bar gaat dicht tijdens het optreden, want al dat gestommel aan de toog verstoort de ‘concertbeleving’.

Ook muzikanten worden braver. Niet langer hoeft Willem een blik hoeren open te trekken, zoals bij John Cale, een gram heroïne te regelen, zoals voor Nico, of zijn artiesten Nick Cave en Willy DeVille voor aanvang van hun show van de Zeedijk te plukken.

De nieuwe lichting muzikanten heeft heel andere wensen – die overigens ook Willems ergernis wekken. Het Britse I Am Kloot laat A4tjes in de zaal ophangen, of het publiek stil wil zijn; de band Tindersticks verlaat voortijdig het podium als het rumoer niet genoeg verstomt. Jónsi, de veganistische voorman van de etherische IJslandse band Sigur Rós, zoekt op het Leidseplein wanhopig naar een macrobiotische groenteboer. Jónsi eet namelijk alleen rauw voedsel, daarom zeult hij ook de hele tour een blender mee onder zijn arm.

Jack Johnson, de goedlachse surfboy die behaaglijke hangmatmuziek maakt, wil dat tijdens zijn optreden de spanning van alle autobanden, buiten op de parkeerplaats, wordt gemeten. Wie op te zachte banden rijdt, wordt gewaarschuwd dat hij het milieu belast. „Ben je besodemieterd”, zegt Willem als Johnsons agent hem van die eis op de hoogte stelt.

Yaël Vinckx: Volgens Willem. Een onbeschaamde geschiedenis van rock in Nederland. verschijnt 18 jan bij Atlas Contact.
    • Yaël Vinckx