Column

Wachten met Pyke Koch

Zeldzame ervaring. Wie de interessante tentoonstelling van Pyke Koch in het Centraal Museum in Utrecht heeft gezien, hoeft maar enkele minuten te lopen om het huis te bereiken waar hij heeft gewoond en geschilderd: Oudegracht 341 in de oude binnenstad.

Een fraai, goed onderhouden pand in een rij gelijksoortige oude huizen. Een plaquette naast de deur wijst op de bewoning in de jaren dertig door ook andere kunstenaars, zoals de dichters Martinus Nijhoff en Jan Engelman en de schrijver Cola Debrot. Nijhoff werkte er aan zijn befaamde gedicht ‘Awater’, Debrot schreef er de novelle Mijn zuster de negerin. Koch zelf woonde er van 1928 tot 1985.

De Oudegracht als een kweekvijver van groot artistiek talent – een soort Utrechtse ‘Bloomsbury’, zoals een criticus destijds schreef. Volgens Niels Bokhove in zijn boek Awaters spoor hebben Koch en Nijhoff er niet gelijktijdig gewoond – Nijhoff mocht voor een jaar Kochs atelier betrekken – maar Nijhoff was er wel een frequent bezoeker.

Nijhoff schreef zelf over een van zijn bezoeken: „Op een middag dronk ik koffie bij een vriend van me [Pyke Koch]. Er was ook een dokter [Kochs vader] aanwezig, die ik voor het eerst ontmoette. Hij zei: ‘Ik moet even het ziekenhuis opbellen, om te zien, of ik nog blijven kan.’ Hij vroeg de verbinding aan met een kliniek en informeerde, hoe de toestand was van de patiënt Awater. Ik hoor hem zeggen: ‘Awater, neen, neen, Awater.’ Terstond besloot ik die naam te nemen.”

Zo ontstonden er onvergankelijke meesterwerken aan de Oudegracht 341. Eén van die meesterwerken, die ook op de tentoonstelling hangt, is Het wachten. Daar bewaar ik een bijzondere herinnering aan. Jarenlang heb ik een poster van deze reusachtige tekening op mijn werkkamer gekoesterd, zonder te beseffen wat de betekenis was. Ik vond het gewoon een boeiende, mysterieuze voorstelling: vijf goed geklede vrouwen-met-hoed in het schaarse licht van een straatlantaarn voor het hek van een gebouw. Er lijkt nauwelijks contact tussen de vrouwen. Waar wachten ze op? Je kon er van alles bij denken.

Op de tentoonstelling leer ik dat Koch de tekening in de periode 1941–1942 heeft gemaakt. In het boek De wereld van Pyke Koch schrijft kunsthistorica Mieke Rijnders, de biograaf in spe van Koch, dat één detail – de bundeling pijlen in het hek – mogelijk een verwijzing is naar de fasces (roedenbundel) van de Italiaanse fascistenleider Mussolini. Koch had immers een sterke sympathie voor het fascisme en kreeg na de oorlog een tentoonstellingsverbod van een jaar voor het ontwerpen van postzegels met Germaanse symbolen.

Kortom, ik had vermoedelijk al die jaren onwetend tegen een door het fascisme geïnspireerde tekening aangekeken. Die ondoorgrondelijke vrouwen stonden niet op een aardige man te wachten, laat staan op mij, maar op Il Duce. Een ontnuchterende gewaarwording, maar ik mag het Pyke Koch niet kwalijk nemen: er wáren immers, ook in Nederland, mensen die op de komst van het fascisme hoopten – en waarom zou je die niet mogen tekenen?

Het blijft een prachttekening, zoals veel van Kochs schilderijen prachtschilderijen blijven. Het is prettig dat we die weer eens goed kunnen bekijken, daar bij die Oudegracht, waar het allemaal begonnen is.