Recensie

Michiel Blankwaardt schittert in ‘Woiski vs Woiski’

Muziektheater

De biografische voorstelling over Max Woiski geeft een prikkelend en ontroerend beeld van de opportunist, pionier en schuinsmarcheerder.

Michiel Blankwaardt, Mike Libanon en Manoushka Zeegelaar Breeveld in Woiski vs Woiski. Foto Ben van Duin

Bij aanvang van Woiski vs Woiski worden we welkom geheten in La Cubana, de Amsterdamse nachtclub van de Surinaamse muzikant Max Woiski. Over zijn leven gaat deze buitengewoon geslaagde, biografische muziektheatervoorstelling, een co-productie van Orkater en het Bijlmerparktheater, en dan met name over de getroebleerde relatie met zijn zoon, Max Woiski Jr.

De zoon wordt kort geïntroduceerd als verbitterde oude man in een verpleeghuis. In de volgende scène is hij plots acht jaar: een kind in Suriname („land van rood zand en bruine rivieren die traag door oneindig oerwoud stromen”). Van zijn grootouders, bij wie hij woont, moet hij in de keuken eten, want, zeggen ze, „deze jongen is te zwart”. De familie wil lichter worden: de kleur „ophogen”.

Op deze wijze stuitert de voorstelling voortdurend door de tijd heen en weer. In de ragfijne regie van Gert Lageveen levert dat een prikkelend en bij vlagen ontroerend, caleidoscopisch beeld op van de geslepen uitbater, opportunist en pionier die Max Woiski zakelijk was en de schuinsmarcheerder en koude vader die hij privé was. Liedjes uit de jaren dertig tot en met vijftig en de hits van de Woiski’s zelf maken het feest compleet.

Navrant en tekenend voor zijn opvattingen is de episode waarin Max zijn nachtclub in de oorlog openhoudt door een Ariërverklaring te tekenen. Er mogen geen Joden, maar ook geen Surinamers meer binnenkomen. Bij de nazi’s gebruikt hij het argument dat een brute slavenhouder, zogenaamd een Pruis, zijn voorvader is. Tegenover zijn kritische zoon verweert hij zich later met het argument dat Amsterdam vol staat met standbeelden van moordenaars en dat hij zijn kinderen te eten wilde geven.

Generatie op generatie

De botsingen tussen vader en zoon en tussen Max en zijn vrouw Alma geven de voorstelling diepte en een emotionele lading. Maar de confrontaties tonen ook knap hoe ontworteling, racisme en overlevingskracht doorwerken van generatie op generatie. Met ijzingwekkende fragmenten over de wreedheid van een plantagehouder en met passend sarcasme gebrachte citaten uit kranten over het optreden van ‘negers’ raakt deze voorstelling bovendien op verschillende niveaus het onrecht dat zwarte mensen is aangedaan.

Dat alle ambities (vrolijke muziek, familiedrama én historische lessen) tot een goed einde worden gebracht, is mede te danken aan de drie fijne muzikanten en drie uitstekende acteurs. Mike Libanon is geknipt voor de rol van de aalgladde charmeur Max, die kickt op zijn maatpak. Manoushka Zeegelaar Breeveld maakt van Alma een pittige echtgenote, die niet met zich laat sollen. Even verrukkelijk is ze in een tweede rol, als de volkse en goedmoedige verpleegster Mieke, die ze met Rotterdams accent speelt.

De meeste indruk maakt Michiel Blankwaardt, die zweeft tussen wanhoop en frustratie als de zoon die door zijn vader als goedkope arbeider wordt ingezet en als de bejaarde die zich heeft vastgebeten in zijn lot. Entertainen, zegt hij tegen zijn vader, is voor hem „geen roeping maar een rol”. Blankwaardt toont geraffineerd het zelfbedrog van de zoon: meer op zijn vader lijken dan hij beseft en zich neerleggen bij een rol die hij wil afschudden. Dat maakt hem een waarlijk tragische figuur.