Column

Pieter Waterdrinker

De vriendin, ook actief in de media, moest zaterdag naar Zandvoort voor een interview met schrijver Pieter Waterdrinker. Om de dag te redden stelde ze voor dat ik met onze dochters (nul en twee) mee naar die strandtent zou gaan, dan konden we na het interview in gezinsverband over het strand wandelen.

Het gaf veel stress om op tijd te komen.

Ze parkeerde de auto, liet ons achter bij een parkeermeter op de boulevard en zei dat we, als we haar zagen in die strandtent, moesten doen alsof we haar niet kenden. „Anders is het niet professioneel.”

„Komt mama terug?”, vroeg de oudste, toen we haar met haar cassetterecordertje richting zee zagen denderen. „Ik weet het niet”, antwoordde ik naar waarheid, „ze heeft Pieter Waterdrinker hoog zitten. Zijn boek Poubelle heeft ze ook verslonden”.

Met één kind op de schouders en de andere in de kar bereikte ik, ploegend door het mulle zand, de strandtent. Vanuit een ooghoek zag ik de begroeting, ze lachte haar warme interviewerslach. „Mama!!”, riep de oudste. „Dat is niet zo”, zei ik. „Mama is hier niet.”

Naar achteren, naar het meest sfeerloze deel. Witte tafels, rieten stoelen. Appelsap, twee broodjes hotdog, volle luier. Een sms. ‘Pieter Waterdrinker wil me een dorpje laten zien. We wandelen ernaartoe.’ We zagen ze over het strand ploegen, mama en Pieter Waterdrinker.

Weer een volle luier, verstoppertje, een portie gefrituurde kibbeling. De zon zakte de zee in. „Waar is mama nou?” „Wandelen met Pieter Waterdrinker.”

Ze ging nu de hele tijd Pieter Waterdrinker zeggen, ze sprak het uit als ‘Wawadink’. Wawadink was natuurlijk hartstikke uitvoerig, stelde ik me zo voor. Hij schreef ook helemaal geen dunne boeken, nee als ze dat dorpje al hadden bereikt wilde dat niet zeggen dat het dan ook snel voorbij was.

De jongste kotste haar melk uit, de oudste eiste een hondje. Om haar moeder zeurde ze niet meer. Zou ze die überhaupt nog herkennen, vroeg ik me af.

Weer een sms’je. Ze was terug, ze was al bij de auto. Met een verrassing die alles goed zou maken.

Nou, daar stond ze. Naast haar op de motorkap een plastic bord met kibbeling met remouladesaus, waar ze maar vast aan was begonnen. Ze had honger gekregen van het interviewen en wandelen met ‘Wawadink’. Wij hoefden niets, wij hadden al meerdere borden kibbeling op.

In de auto terug speelde ik met verve de rol van teleurgestelde partner die zich een andere zaterdag had voorgesteld. „Was het lekker op het strand?”, vroeg ik terwijl ik me over de passagiersstoel boog om de neus van de jongste af te vegen. Ik voelde toen al dat ik met mijn voet in de remouladesaus zat. Dit was niet mijn zaterdag, ik zocht naar een woord.

„Wawadink!”, zei de oudste.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.