Ontsnappen in het zwembadblauw

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over het zwembad als tijdelijke vlucht uit de werkelijkheid.
Illustratie Eliane Gerrits

Buiten is het ijskoud, maar in het Metropolitan Museum of Art in New York City is het zwembadweer. Ik ben beland in een warm Californië vol zon, bergen, blauwe luchten en nog blauwere zwembaden. Dit alles vanwege de overzichtstentoonstelling vol iconische werken van de Britse schilder David Hockney.

Zwembaden fascineerden Hockney toen hij vanuit het grauwe naoorlogse Engeland naar het immer stralende Californië trok. Het schilderij A Bigger Splash uit 1967 laat een oranjebruingekleurd huis zien waarachter twee palmbomen voor een blauwe lucht. Op de voorgrond een zwembad gevuld met water in een lichtere tint azuur. Iemand moet van de gele springplank zijn gesprongen, te zien aan de levensechte plons. De zwemmer echter is door het opspattende water geheel en al uit zicht verdwenen. Hockney schilderde een perfecte wereld van zon, luxe, vrijheid en blijheid. Maar op de achtergrond van deze idylle speelde de Vietnamoorlog, waarin duizenden mannen ver van huis voorgoed verdwenen.

Rond diezelfde tijd kwam de film The Graduate uit, het verhaal van de 21-jarige Benjamin Braddock, die na het afronden van zijn studie terugkeert naar huis. Behalve in hotelkamerbedden, waar hij de middagen doorbrengt met de veel oudere Mrs. Robinson, de vrouw van zijn vaders zakenpartner, speelt de film zich af in en rond het ouderlijke zwembad. Het is de enige plek waar Benjamin kan ontsnappen aan de druk van zijn ouders en hun vrienden om iets van zijn leven te maken. „Een woord: plastics.” Onvergetelijk is de scène waarin Benjamin, een glansrol van Dustin Hofmann, op zijn verjaardag in een duikpak op de bodem van het zwembad gaat liggen. In zijn eigen universum, onbereikbaar voor de rest van de wereld, even ver weg als een astronaut.

Zwembaden hebben iets surrealistisch. Een stukje tropische zee in de achtertuin, om tijdelijk aan de werkelijkheid te ontsnappen. Het ultieme zwembadverhaal schreef John Cheever in 1964 voor The New Yorker. Hoofdfiguur in ‘The Swimmer’ is Neddy Merrill, een man die er jong uitzag maar dat al lang niet meer was. Op een mooie dag zit hij aan de rand van het zwembad van vrienden met een gin-tonic in zijn hand.

Opeens ziet hij, met het oog van een cartograaf, een draad van zwembaden door het landschap stromen. Hij vat het plan op al zwemmend naar huis te gaan, van plas naar plas. Hij haalt zijn sweater van zijn schouder en duikt het water in. De stroom noemt hij de Lucinda-rivier, naar zijn vrouw. Heerlijk en weelderig was het aan de oever. Rijke mensen bij het saffieren water, terwijl bedienden in witte jassen hun koude jenever aanreikten.

Zijn tocht leidt hem langs de zwembaden uit de buurt. Overal maakt hij een praatje en drinkt een borrel. Het zwemmen valt hem steeds zwaarder. Als hij uiteindelijk ellendig, koud, moe en verward bij zijn eigen huis aankomt, ontdekt hij dat zijn oude vertrouwde leven niet meer bestaat. Hij is vervreemd van zijn vrouw en zijn vier dochters. Zijn huis staat te koop.

Dat is het met zwembaden. Ook al kun je even ontsnappen in het azuren water, uiteindelijk sta je rillend aan de kant.

Reacties naar pdejong@ias.edu