Inheemse bevolking van Mexico stierf door paratyfus uit Europa

DNA-onderzoek Salmonellabacteriën uit Europa richtten in de 16de eeuw een slachting aan in Mexico. Dat blijkt uit genetisch onderzoek aan tien mensen die zijn opgegraven.

Kleurenlitho uit 1892 toont de eerste ontmoeting van de Spaanse veroveraar Hernan Cortes met de Azteken-koning Montezuma in 1519, in het huidige Mexico. Afbeelding Getty

Dat in de zestiende eeuw onder de inheemse bevolking van Amerika massale sterfte plaatsvond overal waar Spanjaarden verschenen, weten we uit geschreven bronnen. Tot dusverre bleef echter onduidelijk aan welke ziekten al die indianen zijn bezweken. Nieuw onderzoek aan het genoom van tien individuen, die rond 1550 zijn begraven in het zuiden van Mexico, laat zien dat een paratyfus-verwekkende salmonellabacterie één van de grote boosdoeners was.

De onderzoeker trof – „als een knuppel tussen mijn ogen” – dat er indertijd zoveel meer begrafenissen dan doopplechtigheden waren in Mexico.

De Amerikaanse antropoloog Henry F. Dobyns stelde als eerste vast dat inheemsen van de Nieuwe Wereld massaal stierven na het eerste contact met Spanjaarden. Eind jaren vijftig zocht hij in de koloniale archieven van Mexico en Peru naar geboorte- en sterftecijfers onder indianen. Hem trof – „als een knuppel tussen mijn ogen” – dat er zoveel meer begrafenissen dan doopplechtigheden waren. De Spanjaarden kwamen, en de indianen begonnen dood te gaan, in enorme aantallen en met een ongelooflijke snelheid.

De omvang van deze catastrofe bleef lang omstreden. Daarover kwam meer duidelijkheid in 2011 toen onderzoekers zich bogen over toen pas beschikbare, accuraat gedateerde oude sequenties mitochondriaal DNA van hoge kwaliteit. Daaruit bleek dat de inheemse bevolking van Amerika vijf eeuwen geleden een aanzienlijke, zij het tijdelijke, demografische ineenstorting beleefde. De vrouwelijke bevolking werd gehalveerd in vergelijking tot de voorafgaande bevolkingspiek, zo’n 3.000 jaar geleden.

Van goed beschreven epidemieën van later datum, tot diep in de negentiende eeuw, weten we dat veel indianen stierven aan pokken, mazelen, de bof en griep, door Europeanen geïntroducaeerde besmettelijke ziekten waar indianen geen natuurlijke weerstand tegen hadden. Maar welke ziekten huishielden onder inheemse Amerikanen in de zestiende eeuw, kort na de eerste contacten, was tot nu toe onbekend. Aan de hand van skeletresten – lang de enige menselijke overblijfselen uit die tijd – is de doodsoorzaak niet nauwkeurig vast te stellen. Het waren waarschijnlijk infectieziekten, maar die laten nauwelijks skeletsporen achter. Maar het moderne DNA-onderzoek bood mogelijkheden.

Mazelen, longpest en tyfus

Genetici van het Max Planck Instituut in hebt Duitse Jena, onder leiding van Åshild Vågene en Alexander Harbig, zorgden voor een doorbraak. Zij gingen op zoek naar een Amerikaanse begraafplaats waarvan op basis van historische en archeologische bronnen vaststond dat er slachtoffers lagen van een epidemie die uitbrak in de periode van het eerste contact. Die vonden zij in Teposcolula-Yucundaa in de Mexicaanse deelstaat Oaxaca. Daar zijn inheemsen begraven die zijn bezweken aan de grote epidemie die in de jaren 1545-1550 woedde in grote delen van Mexico.

Uit etno-historische bronnen viel niet ondubbelzinnig vast te stellen aan welke ziekte al die mensen zijn gestorven. Documenten repten van een ziekte die gepaard ging met rode vlekken op de huid, braken en bloedingen uit verschillende lichaamsopeningen. Daarom zijn in het verleden alle ziekten met die kenmerken als mogelijkheid genoemd: tyfus, paratyfus, mazelen, longpest en allerlei virussen die bloedingen veroorzaken.

DNA van 6.200 bacteriën

Uit de kiezen van 29 opgegraven schedels (waarvan 5 uit de tijd voordat er contact met westerlingen was) isoleerden ze DNA. Dat zit in de zachte pulp van het wortelkanaal in de kies. Ze bepaalden de basenvolgorde van het DNA. Uit ieder wortelkanaal kwamen gemiddeld ongeveer een miljoen DNA-fragmenten. Die DNA-volgorden vergeleken ze met de bekende DNA-volgorden van ruim 6.200 bacteriën.

Bij tien individuen die zijn begraven in Teposcolula na het eerste contact vonden de onderzoekers DNA-sporen van Salmonella enterica, en wel van de ondersoort S. Paratyphi C. Dat is, de naam zegt het al, een bekende veroorzaker van paratyfus, een ziekte die wordt overgedragen via besmet water, voedsel en uitwerpselen. Die paratyfusbacterie kan makkelijk door Europeanen over zee zijn meegenomen. Eén tot zes procent van de mensen die paratyfus hebben gehad blijven de bacterie uitscheiden.

    • Dirk Vlasblom