Het verlangen een machine te worden

Mark O’Connell

Schrijver Mark O’Connell bezocht voor zijn boek ‘transhumanisten’, mensen die met technologie de grenzen van het mens-zijn opzoeken. „Ze willen letterlijk machines worden.”

Foto’s: Hannes Wiedemann

Wat zeg je als een peuter van drie verdrietig vraagt of mama’s en papa’s op een dag ook doodgaan? Voor de Ierse journalist en schrijver Mark O’Connell (38) was het antwoord op de vraag van zijn zoontje simpel. Hij werkte aan een boek vol mensen die probeerden het probleem van de dood op te lossen. „Zodat als jij straks groot bent, er misschien niemand meer dood hoeft te gaan.”

Het probleem ‘sterfelijkheid’ was in huize O’Connell met dit antwoord wellicht een tijdje opgelost, de realiteit is complexer, blijkt uit De Mensmachine. Hoe we de dood kunnen overleven. Voor dit literaire non-fictieboek, dat dinsdag in Nederland uitkomt, dook O’Connell twee jaar lang in de wonderlijke wereld van de transhumanisten, een radicale subcultuur uit Silicon Valley.

Je kunt ze gerust tech-fundamentalisten noemen, vertelt O’Connell aan de telefoon vanuit Dublin. „Ze geloven zo sterk in technologische vooruitgang dat ze ervan overtuigd zijn dat we de natuurlijke grenzen van de mens, inclusief zijn sterfelijkheid, moeten oprekken en uiteindelijk doorbreken. Ze willen letterlijk machines worden.”

Het klinkt als sciencefiction, maar een groeiende groep uitvinders, filosofen, neurowetenschappers en ondernemers houdt zich hier serieus mee bezig. Door prominente figuren, zoals Ray Kurzweil, futurist bij Google, PayPal-oprichter Peter Thiel en Tesla-oprichter Elon Musk wordt het transhumanisme steeds bekender. Bovendien steken zij miljoenen dollars in onderzoek naar kunstmatige intelligentie, breinemulatie (het uploaden van de herseninhoud om verder te leven als digitale kopie) en cyborgtechnologie waardoor mens en machine versmelten. Het roept de vraag op wat voor wereld de mensheid te wachten staat als deze ideeën werkelijkheid worden. Dat is wat O’Connell van dichtbij wilde ervaren.

De Duitse fotograaf Hannes Wiedemann maakte in 2016 de fotoserie ‘Grinders’ over Amerikaanse hackers die gadgets in hun lichaam laten implanteren.

Ingevroren hoofden

O’Connell ontmoet veel excentrieke figuren. Zoals de 21-jarige Italiaanse ondernemer Alberto Rizzoli, die ervan uitgaat dat hij voor zijn dertigste een technologische aanpassing heeft ondergaan. En Nate Soares, directeur van het Amerikaanse Machine Intelligence Research Institute, die gelooft dat hij zal worden vermoord door kunstmatige superintelligentie.

Een van zijn meest absurde avonturen beleeft O’Connell als hij tussen de ingevroren hoofden en lijken wandelt tijdens een bezoek aan de Alcor Life Extension Foundation in het Amerikaanse Phoenix. Dat is een van de vier plekken op de wereld waar je na je overlijden je lichaam (voor 200.000 dollar, ca. 163.000 euro) of je hoofd (voor 80.000 dollar, ca. 65.000 euro – de meest populaire optie) kunt laten invriezen in een cilindervormige tank met stikstof. „Het is een van de meest bizarre plekken waar ik geweest ben”, zegt O’Connell. Er worden 117 mensen bewaard, voor het geval dat hun brein op een dag dankzij geavanceerde technologie weer tot leven kan worden gewekt.

Het draait daarbij vooral om de hersenen – vandaar die losse hoofden. Als die goed bewaard blijven, kan daar – met de juiste techniek – op een dag misschien een digitale kopie van gemaakt worden. Wellicht door Randal Koene, een van oorsprong Nederlandse neurowetenschapper die dit soort digitale kopieën binnen dertig jaar wil mogelijk maken. O’Connell: „Koene bleek helemaal niet zo’n excentriekeling, wat je wel verwacht als iemand gelooft in mind uploading. Hij is een serieuze wetenschapper die helder kan uitleggen waarmee hij bezig is.”

Lees ook het interview met Randal Koene: Eeuwig doorleven als digitale kopie

Onsterfelijkheid

De meeste transhumanisten kunnen niet wachten tot de dag dat zij hun menselijk lichaam voorgoed achter zich kunnen laten. Neem Tim Cannon, een man uit Pittsburgh met wie O’Connell een aantal weken doorbracht. Cannon vertelt dat hij zich gevangen voelt „in het verkeerde lichaam”, omdat hij „überhaupt in een lichaam zit”. Hij wil dolgraag als machine verder. Als statement heeft hij alvast een thermometer met bluetooth in zijn onderarm laten implementeren door een ‘lichaamsingenieur’ uit Berlijn. Als hij het te koud heeft, gaat nu automatisch de cv in zijn huis aan.

Voor transhumanisten is een lichaam van vlees en bloed een achterhaald format, constateert O’Connell. „Zij hebben een mechanistische kijk op wat het betekent om mens te zijn. Zij zien mensen letterlijk als machines.”

O’Connell interpreteert het transhumanisme juist als uitdrukking van een oud menselijk verlangen: los willen komen van het lichaam en streven naar iets hogers. „Het gaat steeds over nieuwe technologieën, maar tijdens mijn gesprekken ging het voortdurend over dingen als eeuwige terugkeer, reïncarnatie en onsterfelijkheid. Je kunt het transhumanisme ook zien als een moderne opleving van religieuze ideeën.”

Toen O’Connell aan het boek werkte, bracht hij voor een tijdschriftartikel toevallig tijd door met jonge Ierse priesters. „Wat me verbaasde is dat zij hun eigen geloof veel vaker betwijfelden dan de transhumanisten die ik sprak.”

Transhumanisten hangen rationalisme in zijn meest extreme vorm aan, zegt O’Connell. „Als je écht gelooft dat technologie ons uiteindelijk zal helpen om onze menselijkheid te overstijgen, is dat vaak moeilijk te onderscheiden van religie.”

Foto: Mark O’Connell

Robotsoldaten

Het transhumanisme heeft ook schaduwkanten, blijkt uit O’Connells boek. Een opvallend hoofdstuk gaat over DARPA, de afdeling van het Amerikaanse ministerie van Defensie die zich bezighoudt met het ontwikkelen van nieuwe technologieën. Zij zijn onder meer bezig met superintelligente soldaten met implantaten, zodat ze niet hoeven te slapen of wapens kunnen bedienen met hun brein.

Behoorlijk verontrustend, vindt O’Connell. Ga maar eens na wat de gevolgen zijn van oorlogsmachines die autonoom beslissingen kunnen nemen, of als er een wapenwedloop in dit soort technologie ontstaat. Toch is dit scenario niet onrealistisch, zegt O’Connell. „Als ons werkelijk een transhumanistische toekomst wacht, dan is het die die DARPA nu aan het bouwen is. DARPA heeft in het verleden al vaker technologieën geïntroduceerd die onze wereld radicaal hebben veranderd: zij legden de basis voor het internet en kwamen met gps.”

Dan is er nog het vraagstuk wat technologieën die mensen wezenlijk veranderen betekenen voor gelijkheid in de samenleving. Als het transhumanisme in de toekomst ‘mainstream’ wordt, wie gaan daarvan profiteren? Wij allemaal, of is het een kleine groep rijke, machtige mensen?

De meeste transhumanisten lijken zich echter weinig bewust van deze donkere kant van hun ideeën. O’Connell wil niet al zijn ontmoetingen over een kam scheren, maar hij kwam niemand tegen die zich oprecht druk om maakte om de problematische ethische gevolgen van technologie. „Zij maken zich niet druk om de ontwikkelingen bij DARPA, eerder het omgekeerde. Het windt ze op.”

Je kunt het transhumanisme zien als een moderne opleving van religieuze ideeën

Doodsbang

Heeft de tijd die hij heeft doorgebracht met diepgelovige techfundamentalisten zijn eigen blik op de mens veranderd? „Het heeft mijn visie op het mens-zijn gecompliceerder gemaakt, en wellicht nog meer in de tegenovergestelde richting geduwd”, zegt O’Connell. „Ik vertrouw nog sterker op mijn instinct en focus meer op de lichamelijke aspecten van ons mens-zijn. Daarom gaat het in mijn boek ook over de geboorte van mijn zoon, mijn gevoelens voor mijn vrouw en mijn eigen lichamelijke gebreken.”

Zo belandt O’Connell op een zeker moment in het ziekenhuis wegens het vermoeden van darmkanker. „Ik was doodsbang en had absoluut geen vrede met de mogelijkheid dat ik zou kunnen sterven.”

Dacht hij toen geen moment: was ik nu maar een mensmachine geweest of had ik maar alvast een kopie van mijn brein? „Nee”, zegt O’Connell resoluut. „Als iets je instinctief tegenstaat, is het belangrijk om dat serieus te nemen. Mijn zoektocht ging over de vraag wat het betekent om als mens een machine te worden, maar uiteindelijk leerde ik meer over wat het betekent om mens te zijn. Juist mijn fysieke ervaringen bleken, ondanks dat almaar aftakelende lichaam, de meest betekenisvolle.”