Opinie

    • Menno Tamminga

De stammenstrijd die ook een vakbond is

Je kunt grote organisaties zien als een stamverband. Bij vakbond FNV huizen er wel vijf stammen.

FNV-voorzitter Han Busker werd zaterdag zeker tien keer door applaus onderbroken toen hij in een vol TivoliVredenburg een campagne tegen het kabinetsbeleid lanceerde. Het was dan ook een beetje een feel good dag. De rode draad in de campagne, genaamd het offensief, is: meer zekerheid. Bij werk (tegen flexibele contracten) en bij inkomen (hoger sociaal minimum, betrouwbaar pensioen, werknemers willen profijt van economische groei).

Het vertrek drie dagen eerder van vicevoorzitter Mariëtte Patijn kwam een keer zijdelings ter sprake op het podium. Zij stond aan de basis en had de campagne zullen leiden. In haar niet-openbare afscheidsbrief aan het ledenparlement, het hoogste FNV-orgaan, hekelde zij de lange interne discussies en het tekort aan urgentiebesef. In de wandelgangen sprak men er schande van. Patijn zat zaterdag in de zaal. Stoer wel.

Haar vertrek geeft onbedoeld een kijkje in de stammenstrijd. Je kunt een grote organisatie als de FNV (bijna 1,1 miljoen leden, 1.800 werknemers) zien als een stamverband. Dat is niet uniek voor de FNV. Multinationals als Shell en Philips kennen of kenden dat ook. Ze delen een doel (klanten, leden, producten), maar intern zie je stammen of clans. Die zijn rivalen bij de verdeling van schaars investeringskapitaal en andere faciliteiten. Stammen vormen coalities om te krijgen wat ze willen. Soms bestrijden ze elkaar.

Bij de FNV huizen wel vijf stammen. De eerste bestaat uit actieve leden en bestuurders in sectoren die vinden dat vakbondswerk van onderop wordt georganiseerd. Zij zijn de ‘van onderoppers’. Zij weten wat er speelt op de werkvloer. Ze staan wat wantrouwend tegenover het dagelijks bestuur. Zij zijn sterk in sectoren als vervoer en haven en hameren op onderwerpen die voor hun leden relevant zijn, zoals pensioen.

Lees ook: Bij de FNV was ik een Alice in Wonderland. Een portret van Kitty Jong in haar eerste jaar in de top van FNV

De tweede stam zijn de ‘strategospelers’. Zij hameren op de noodzaak van een overkoepelende strategie, weg van sectoraal gekrakeel. Dus: ook flexibele contracten bestrijden. Zij willen via politieke pressie wetten wijzigen en best met werkgevers optrekken tegen ongezonde publieke aanbestedingspraktijken, zoals in het regionaal openbaar vervoer dat onlangs staakte. Een effectieve strategie vereist meer sturing van bovenaf dan de ‘van onderoppers’ lief is.

Derde clan zijn de stafafdelingen, beleidsgroepen en de overlegcultuur. Bij Philips heette dat de leemlagen. Of kleilagen. Je kwam er niet door heen. De ‘strategospelers’ én de ‘van onderoppers’ klagen over die lagen, maar ze hebben ze ook nódig. Dus sluiten ze geen coalitie tégen deze stam.

De vierde en kleinste stam is het dagelijks bestuur, waar Patijn in zat en Busker de voorzitter is. Van oudsher het domein van de ‘strategospelers’. Groot en gewichtig overleg (politiek, werkgevers) was hun werk. Met de democratisering van de FNV na de fusie van de aparte bonden tot één organisatie in 2015 weegt het ‘van onderopgevoel’ zwaarder.

De vijfde macht is het ledenparlement. Daar zijn de ‘van-onderoppers’ invloedrijk als de gekozen afgevaardigden van de gewone leden. Het ledenparlement zei vorige week ‘ja’ tegen maar een deel van het geld voor de offensiefcampagne dat het bestuur had gevraagd. Initiatieven van onderop voor het offensief moeten nu eerst worden gezocht.

Hoelang kunnen een offensief en een stammenstrijd samengaan? De vragen wat centraal moet en wat decentraal, verdelen de FNV al lang. Dat leidde in 2011 tot een crisis. Toenmalig voorzitter Agnes Jongerius ging weg. Er kwam een nieuwe structuur voor een nieuwe start. Maar oude vormen en gedachten blijken springlevend. Busker kreeg zaterdag het applaus, maar de strijd gewonnen heeft hij nog niet.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.
    • Menno Tamminga