Jasper de Bruin: „Zelf hou ik enorm van kleiopgravingen, met water, blubber en mooie ophogingslagen.”

Foto Peter de Krom

De Cananefaten stammen uit Velsen

Archeologie Een Hollands volk dat in de Romeinse tijd leefde kwam niet uit Duitsland, maar van de Noordzeekust, zegt nieuw onderzoek.

Op zijn veertiende schreef archeoloog Jasper de Bruin zijn eerste ‘wetenschappelijke’ publicatie. „In de Donald Duck, een Brief van de Week, over een bronzen mantelspeld die ik bij Schiedam had opgegraven.”

Toen noemde hij de vindplaats nog een inheemse Romeinse boerderij. In het proefschrift waarop hij onlangs in Leiden is gepromoveerd schrijft hij de nederzetting expliciet toe aan de Cananefaten. Dat volk leefde in de Romeinse tijd in het huidige Zuid-Holland, bij Den Haag en Rotterdam. Tussen 50 en 300 na Christus hebben zij daar minstens 172 nederzettingen gesticht.

De Bruins onderzoek draait om de vraag: hoe Romeins waren deze Cananefaten, die aan de rand van het Romeinse rijk woonden. Meestal gaan archeologen ervan uit dat ook aan die randen de daar wonende gemeenschappen er alles aan deden om zo snel mogelijk Romeins te worden. Maar dat geldt niet voor de Cananefaten, concludeert De Bruin. Zij behielden nog lang hun eigen identiteit.

Eerst een bekende kwestie. De herkomst van de naam Cananefaten, of Canninefaten. Zijn het nou ‘konijnenvangers’ of ‘lookmeesters’, afgeleid van het Keltische canene (look) en het Germaanse vates (meester)?

De Bruin: „Ha. Daar heb ik me bewust verre van gehouden. Ik heb de etymologie nog wel aan een Germanist aan de universiteit voorgelegd, maar hem lijkt het onzin. Ik heb me op het archeologische verhaal geconcentreerd. Voor mijn proefschrift heb ik geen nieuwe opgravingen gedaan, maar een synthese gemaakt van alle gepubliceerde opgravingen. Aan zes ervan deed ik zelf mee.”

De Cananefaten worden genoemd in historische Romeinse bronnen. Die zeggen dat ze uit Noordwest-Duitsland komen. U stelt dat ze afkomstig zijn uit de Nederlandse kuststreek ten noorden van de Rijn. De Romeinen waren toch niet gek?

„Zeker niet. De geschiedschrijver Velleius Paterculus vermeldt de Cananefaten als eerste. Hij was er zelf bij toen de latere keizer Tiberius ze in het jaar 4 heeft onderworpen, samen met twee andere Germaanse stammen. Die zouden zich in het gebied rond de Weser en Lippe hebben bevonden. Maar archeologisch gezien, als je kijkt waar aardewerk en mantelspelden van de Cananefaten worden gevonden, zijn er geen raakvlakken met dat gebied.

„Die zijn er wél met de kuststrook ten noorden van de Rijn. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus was in het Romeinse fort Velsen ruiterij van de Cananefaten gelegerd, als hulptroepen van het Romeinse leger. Bij een opstand van de Friezen in 28 zou die Cananefaatse ruiterij zware verliezen hebben geleden.

„Dat maakt het volgende scenario mogelijk: de Cananefaatse eenheid, die oorspronkelijk uit Duitsland kwam, is daarna aangevuld met rekruten uit de omgeving, waardoor een nieuwe bevolkingsgroep onder een oude naam ontstond.”

Maar hoe kwamen ze dan in West- Nederland terecht?

„Dat gebied was rond 50 voor Christus ontvolkt geraakt. Waarschijnlijk speelt de Gallische oorlog van Caesar daarbij een rol en is de oorspronkelijke bevolking weggevlucht. In 39/40 na Christus hebben de Romeinen de eerste forten langs de Rijn gebouwd. Kort daarna, rond 50, hebben de Romeinen de Cananefaten toegelaten, onder andere om een soort buffer bij de grens aan de Rijn te creëren.”

Waardoor onderscheidden de Cananefaten zich?

„Door een bepaald type woonhuis, een woonstalhuis. En in eenvoudig, handgemaakt aardewerk, bepaalde mantelspelden en het ontbreken van centrale grafvelden. Dat betekent dat niet ieder volk snel romaniseerde zodra het onder Romeins gezag kwam.

„Pas in de tweede eeuw, als de Romeinen een bestuurlijke reorganisatie uitvoeren en extra in het gebied investeren, gebeurt dat wel. Daarna zie je bijvoorbeeld meer Romeinse stenen vakwerkhuizen. Op een Romeinse mijlpaal uit het jaar 250 staat nog de naam Cananefaten. Kennelijk was ook toen de Cananefaatse identiteit nog belangrijk. Rond 300 houdt de bewoning in de nederzettingen op.”

Er zullen niet veel archeologen zijn die promoveren op een onderwerp waarmee ze zich al in hun jeugd hebben beziggehouden. Hoe is het begonnen? Met de spreekwoordelijke pijpenkop?

„Zo is het echt gegaan. Een vriend van mijn ouders die bij het Schielandhuis in Rotterdam werkte, gaf me een Gouds pijpje. Toen ik daarna op televisie de opgraving van een scheepswrak zag, was ik helemaal verkocht. En toen de Rotterdamse archeologische dienst bij de aanleg van de spoortunnel opgravingen ging doen, vroeg ik als twaalfjarige of ik mocht meehelpen. Dat kon niet, maar ze verwezen me wel naar de plaatselijke afdeling van de AWN, de Nederlandse vereniging van vrijwilligers in de archeologie.

„Aan de Polderweg in Schiedam-Noord hebben we in drie jaar met vier man de nederzetting opgegraven. Ik was verreweg de jongste, de anderen waren volwassen kerels van boven de veertig. Maar dat werden wel m’n vrienden. Iedere zaterdag haalde iemand me op. Met de schep hebben we in de natte klei een twee meter diepe opgravingsput uitgegraven. Ik was zo fanatiek dat ik gestopt ben met hockey, en ik had zo weinig tijd voor huiswerk dat ik van het gymnasium ben overgestapt naar het atheneum.”

Over eigenheid gesproken. Op het laatste nationale archeologiecongres bleek dat de universiteiten steeds minder studenten voor de Nederlandse archeologie opleiden, en ook minder onderzoek in Nederland doen. Klopt dat?

„Deels en dat is jammer. Aan de andere kant helpt een breed internationaal kader bij het bestuderen van de grote vragen, want die speelden ook in provinciaal-Romeins Nederland. Het is bijvoorbeeld interessant om te onderzoeken hoe het contact met de Romeinen in alle grensprovincies in Europa is verlopen. Mijn indruk is dat het overal verschillend is geweest. Maar bijvoorbeeld in Duitsland en Bulgarije is tot nu toe de aandacht vooral uitgegaan naar de op het eerste gezicht spectaculairdere forten, en niet naar lokale landbouwgemeenschappen.

„Ook in Nederland is op dat gebied nog genoeg onderzoek te doen; ik denk aan de Zuid-Hollandse eilanden. Zelf hou ik enorm van kleiopgravingen, met water, blubber en mooie ophogingslagen. Daardoor is hier veel dat je ergens anders niet snel nog zult vinden wel goed bewaard gebleven: touw, fuiken, houten tonnen, botanisch materiaal.”