Opinie

    • Carolien Roelants

Armoede. Uitzichtloosheid. Ook Tunesië komt in opstand

Carolien Roelants is Midden-Oostenexpert en scheidt op deze plaats elke week de feiten van de hypes.

Het is duidelijk weer protestseizoen in het Midden-Oosten. Iran is nog nauwelijks voorbij, of Tunesië is losgebarsten. Wie de regio even afgoogelt op ‘protest’, vindt ook Soedan. En, op veel kleinere schaal maar ook veelbelovend: Algerije en Marokko.

Ik schreef twee weken geleden over de westerse fixatie op Iran. Trump met zijn tweets, de spoedzitting van de VN-Veiligheidsraad op Amerikaans verzoek (mislukt, vanuit Washington bezien) en de speculaties, metéén, over de val van het regime. Voor Tunesië is veel minder belangstelling – in elk geval zijn van Trump geen steuntweets voor de betogers te verwachten of zelfs maar speculaties over een nieuwe Arabische Lente (of Winter, het is maar hoe u het bekijkt).

In tegenstelling tot Iran is er in Tunesië tot dusverre, voorzover mij bekend, geen „dood aan de leiders” aangeheven. In plaats daarvan eist „het volk de val van de begroting”, wat een stuk chiquer klinkt. Maar de aanleiding tot de Tunesische protesten, die even wijd verspreid zijn over het land als de Iraanse, is dezelfde als die in Iran, of Soedan of straks in andere landen in de regio: stijgende prijzen, (jeugd)werkloosheid, corruptie. Armoede. Ongelijkheid. Uitzichtloosheid. Het was ook de motor van de Arabische Lente, die in Tunesië precies zeven jaar geleden de toen het erop aankwam niet-zo-sterke man Ben Ali ten val bracht.

Tunesië is het enige succes van die Arabische Lente. Nou ja, succes in vergelijking met de rest, waar het min of meer verschrikkelijk is afgelopen. Libië is een mislukte staat. De Egyptenaren hebben onder Sisi met de dag nog minder vrijheid dan onder Mubarak. In Syrië is het oorlog. In Jemen is het oorlog. In Bahrein heeft het massaprotest van de shi’itische meerderheid tegen haar sunnitische heersers alleen maar hardere onderdrukking opgeleverd.

In Tunesië werd het geen oorlog; er kwamen verkiezingen, moslimfundamentalisten wonnen, maar gaven de macht gewoon weer uit handen toen ze volgende verkiezingen verloren. Er kwam een grondwet die de nieuwe democratie verankerde. Geen oorlog is gelijk succes.

Maar Tunesiërs die ik destijds sprak, zeiden al: dit is de foutste tijd voor een revolutie. Er was een internationale economische crisis. Het land had een Marshallplan nodig om te slagen. In plaats daarvan leverde de buitenwereld mondjesmaat hulp. De doorgaande onrust hield toeristen en buitenlandse investeerders weg.

De mensen die de straat waren opgegaan om Ben Ali te verjagen, verwachtten niet alleen of misschien zelfs niet allereerst vrijheid van meningsuiting, maar economische verbetering. Die kwam niet. Tunesië gleed de economische afgrond in.

Waarom nu die explosie van protest? Lees hierover op aljazeera.com een vraaggesprek met Warda Atig, een van de jonge activisten van Fech Nestannew (Waarop wachten we?), de beweging die de protesten leidt (een verschil met Iran, waar de betogingen nogal ongeleid waren). Ik vat samen: door de bezuinigingen die op 1 januari ingingen op aandringen van het IMF om de begroting op orde te krijgen en de nationale munt te schragen. Btw en andere belastingen gingen omhoog, onder andere koffie, thee, gas en bellen werden duurder en er kwam een personeelsstop bij de overheid. „De armen betalen de rekening”, zei Atig.

De vlam is in de pan en wat nu? De protestbeweging eist intrekking van de bezuinigingen, de regering heeft gereageerd met de belofte van maatregelen voor de allerarmsten, de inzet van het leger en honderden arrestaties. Er is maar één zekerheid: dit keer is er is geen sterke man wiens val opnieuw hoop kan bieden.

    • Carolien Roelants