Justitie sjoemelt en Aydin Çoban is onschuldig. Zegt hij zelf.

Veroordeeld Aydin Çoban zit gevangen voor afpersing van tientallen meisjes. Maar hij is onschuldig, schrijft hij in zijn boek.

Beelden uit het filmpje dat Amanda Todd een maand voor haar zelfmoord op YouTube zette.

Ineens sprak hij toch. Ik spreek heette het zelf gepubliceerde e-book waarmee Aydin Çoban (39), die een celstraf uitzit, eind november het stilzwijgen doorbrak. De tekst zou via een medegedetineerde naar buiten gesmokkeld zijn.

„Ik zwijg”, antwoordde Çoban een jaar geleden telkens als de rechtbank hem een vraag stelde. De verdachte van het aanranden, chanteren en afpersen via de webcam van ruim dertig meisjes die zich moesten uitkleden en fotograferen en filmen, beriep zich op zijn zwijgrecht. Dat nam de rechtbank hem – met het oog op de vele slachtoffers – kwalijk. Hij werd veroordeeld tot de geëiste maximumstraf van 10 jaar en 8 maanden.

De zaak kreeg veel aandacht vanwege het hoge aantal betrokken meisjes, uit Nederland en andere landen, en de traumatische gevolgen die zij zeiden te ondervinden. Ook de Canadese tiener Amanda Todd, die in 2012 zelfmoord pleegde uit wanhoop over seksuele afpersingen, wordt met Çoban in verband gebracht; die zaak volgt na het hoger beroep, in Canada. Deze maandag wordt een belangrijke stap gezet in de beroepsprocedure: het hof maakt bekend of het instemt met de onderzoekswensen van de verdediging. De inhoudelijke behandeling volgt na de zomer. Volgens advocaat Robert Malewicz is Çoban dan bereid vragen te beantwoorden.

Maar over de vragen die hij wel en niet beantwoordt, heeft Çoban met Ik spreek de regie opnieuw stevig in handen genomen. Openstaande vragen krijgen nauwelijks een antwoord. Het boek leest als een lange tirade tegen politie en justitie. Die zouden geleid zijn door „tunnelvisie” en met een „karaktermoordtactiek” op een veroordeling hebben aangestuurd. Çoban, die het boek onder volledige naam publiceerde, zit „onschuldig” vast „vanwege sjoemelende politie, verdoezelende justitie en vooringenomen rechters”. Hij ziet zijn zaak als een „gerechtelijke dwaling”, schrijft hij: „Ik zit middenin datgene wat Lucia de B. nu achter de rug heeft.”

Wat het Openbaar Ministerie hem al verweet, zijn vermogen tot manipuleren, lijkt Ik spreek te bevestigen. De zwartmakerij van politie en justitie begint in Çobans relaas met snedige anekdotes over de wetteloosheid die zou heersen in penitentiaire inrichtingen (PI’s): beperkingen worden niet gehandhaafd en alles is te koop, tot „barbecuefeesten” met veel alcohol aan toe. Çoban schept erover op hoe hij met klachten kostbare verbouwingen van PI’s afdwong: naar eigen zeggen voor ruim zes ton. „Zodra ik een vrij man ben zal ik een juristenkantoor openen wat [sic] zich alleen met het Penitentiair Recht zal bezigen [sic].”

Het boek wemelt van de taalfouten en oncontroleerbare beweringen, maar justitie komt er niettemin slecht op te staan. Dat wordt serieuzer en pikant wanneer Çoban meer dan honderd voorbeelden van „gesjoemel door politie en/of justitie” opsomt, die vooral te maken hebben met vermeende vormfouten en het bewijsmateriaal. De afluistersoftware waarmee bewijs tegen Çoban verzameld was, zou ondeugdelijk en dus onwettig zijn. De harde schijven en computers uit Çobans woning zouden van „iemand anders” zijn, en bovendien zouden daarop helemaal geen heldere sporen staan van belastende Skype-gesprekken en chatsessies.

Die punten vormden al de hoofdmoot van het pleidooi van Çobans advocaten en de rechtbank verwierp al deze technische bezwaren. In het hoger beroep zullen die ongetwijfeld opnieuw tegen het licht gehouden worden. Interessant en voor de beroepsprocedure cruciaal is of Çoban toegang krijgt tot delen van het dossier waarin hij „ontlastende informatie” zegt te weten – een bedenkelijk lange lijst.

Toch wordt de geloofwaardigheid van Çobans relaas niet sterker door het gekleurde laatste deel van het boek, waarin de schimpscheuten verbetener en de feiten controleerbaarder worden – en onjuist blijken. Çoban verwijt de „onbekwame rechter” kinderachtig gedrag tijdens zittingen, schildert hem af als een dementerend „nazi-overblijfsel” en legt hem én zichzelf woorden in de mond die destijds niet gezegd zijn. En het belangrijkste: Çoban benadrukt vermeende fouten van justitie, maar biedt nauwelijks nieuwe feiten. De naam van ene ‘Murat’, op wie Çobans advocaten de eigendom van de belastende laptop afschoven, valt in het boek niet één keer.

    • Thomas de Veen