Een relaas van twee generaties werken bij de NAM

Gaswinning Van opbouwer van het land tot sloper van de provincie. De reputatie van de NAM verslechterde in zeventig jaar. Personeel vertelt erover.

Op de linkerfoto: Erwin (l) en René Boomsema. Op de rechterfoto: Geert (l) en Erik Schimmel op de gaswinningslocatie Sappemeer. Foto’s Kees van de Veen

Gas. Nederland kookt erop, de staatskas werd door de opbrengsten gevuld, Groningen beeft erdoor. Weinig episodes uit de vaderlandse geschiedenis kennen zozeer twee kanten als het aardgas uit de Slochterenbel, dat de verzorgingsstaat heeft opgebouwd en nu verantwoordelijk is voor de grootste verbouwingsoperatie ooit in Nederland. In een notendop: van euforie, fornuizen en welvaart naar gasbevingen, protesten bij het Provinciehuis en bekladde winningsinstallaties.

De enige constante al die jaren is de gaswinner, de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). Een joint venture van Shell en ExxonMobil die al sinds de eerste vondst in 1959 meedraait, in een constructie waarbij rond de 85 procent van de winst wordt afgedragen aan de staat. Al iets meer dan 2.057 miljard miljard kubieke meter gas won het bedrijf in Groningen, goed voor zo’n 290 miljard euro aan overheidsinkomsten. Een bedrijf dat ooit min of meer synoniem stond voor Neerlands glorie, en nu, bij het 70-jarig bestaan, misschien wel de meest omstreden onderneming van het land is. De afgelopen week werd weer goed duidelijk waarom: bij Zeerijp trilde op 8 januari de grond met een kracht van 3,4 op de schaal van Richter – de zwaarste beving sinds 2012.

De families Schimmel en Boomsema maakten deze geschiedenis van dichtbij mee. De gepensioneerden Geert en René werkten bij de NAM voornamelijk in de decennia voor de discussie over gasbevingen losbarstte. Hun zoons, Erik en Erwin, doen dat vandaag nog. NRC sprak met de vier over de NAM gedurende twee generaties en over de verschillende tijdperken. Over hoe het is om als ‘gewone’ installatietechnicus aan het controversiële gasveld te werken – volgens veel gedupeerden aan de foute kant.

Op verzoek van NRC werden de vaders en zoons door de afdeling voorlichting van het bedrijf opgespoord, waarna de verslaggever zonder beperkingen met hen kon spreken op een kantoor in Hoogezand. Contact met de media had geen van hen eerder gehad. Het gesprek vond plaats vóór de beving bij Zeerijp.

De NAM loopt als een rode draad door beide families. René Boomsema (59) noemt zichzelf „opgevoed” door het bedrijf. Zijn vader werkte er al in de jaren 60, zelf ontmoette hij zijn vrouw op zijn afdeling nadat hij in 1980 in dienst was gekomen. Zijn zus werkte er ook. „Mensen vroegen weleens: hoelang zit je al bij de NAM? Dan zei ik: 58 jaar.”

Boomsema bracht zijn jeugd door in voor het bedrijf gebouwde flatgebouwen in Ridderkerk. Zijn vader werkte daar aan het toen nog actieve olieveld. Stond je in de lift, dan was dat bijna altijd met een collega.

Kleine NAM-dorpjes waren het, zoals ook bedrijven als Philips de huisvesting van werknemers zelf verzorgden. „Het bedrijf zei: daar ga je wonen, en dan pakte je je boedel”, vertelt Boomsema. De vloeren werden voor je gelegd, verhuiskosten vergoed. Het bedrijf als hoeksteen van de samenleving, ook verantwoordelijk voor het welzijn van zijn personeel.

De zwaarste gasbeving in vijf jaar brengt de bewoners van het getroffen Loppersum niet van hun stuk. ‘Het helpt niks om bang te zijn.

Tuinfeestjes en tripjes

Tussen de tuinfeestjes met collega’s, tripjes en de honderden bedrijfsgezinnen werd Boomsema geleidelijk een ‘NAM’er’. „Een keer in de twee maanden huurde het bedrijf een bioscoop af en gingen alle jongeren een film kijken, vooral tekenfilms. Je ging op reis met elkaar naar dierentuinen en musea, mijn moeder beheerde de NAM-speeltuin. Die was alleen maar voor NAM’ers.” Je kon niet anders, vertelt hij, dan een „hele, hele” sterke band ontwikkelen.

Bij de Schimmels was zoon Erik net één jaar geworden toen het gezin in 1985 verhuisde van Emmer-Compascuum naar het Noord-Hollandse Noord-Scharwoude. Daar woonde het personeel van de productieplatforms op zee, waar vader Geert (nu 61) zou gaan werken. „Ga jij naar het westen, vroegen mijn vrienden. Ze dachten dat ik gek geworden was. Maar ik wist wat voor een bedrijf dit was.”

Ook de Schimmels kwamen in Noord-Holland al snel terecht in een NAM- microkosmos: zaalvoetbal, sinterklaas vieren „met misschien wel drieduizend kinderen”. En, niet te vergeten: volleybalvereniging VolGas.

Op de gasproductielocaties kon je in die dagen de afhankelijkheid van Nederlandse huiskamers goed voelen, vertelt Boomsema. „Het besef bij onze afdeling was altijd: je moet de job die dag afmaken, dan weet je zeker dat er weer gas komt. Het maakte niet uit of je 12 of 16 uur op een put zat te werken, die moest gewoon weer open.” Lag er sneeuw op de weg naar een uitgevallen installatie, dan ging het leger voor de NAM-auto uit.

Als kind merk je ook dat het werk van je vader „wel een dingetje” is, vertelt Erik Schimmel (32) – met baard en zware stem sterk gelijkend op zijn vader. Op de familiedag is hij als 7-jarige flink onder de indruk van het productieplatform waar zijn vader gaat werken – het staat dan nog aan wal in Rotterdam. „Prachtig, het is rood en groot en geel, je ziet waar je vader gaat slapen. En natuurlijk de controlekamer.”

Het leek hem „cool”, vertelt hij, om daar te gaan werken. Dat gevoel groeide alleen maar, elke keer dat zijn vader met verhalen terugkwam van het productieplatform. „Dat je vader werkt voor de NAM, daar was je trots op.”

Ook een plekje voor mij

Doorslaggevender voor zijn beeld van het bedrijf in die jaren is het sociale aspect – de sporttoernooien, het contact tussen medewerkers. „Je ziet als kind hoe de NAM zorgt voor z’n werknemers. Als je later terugverhuist naar Drenthe, houd je een bepaald gevoel bij het bedrijf.”

Erwin Boomsema (26) ziet als hij klein is zijn vader regelmatig om de hoek van hun huis in Zuidbroek aan de installatie werken. Hij fietst met vrienden vaak langs, ze drukken hun neuzen tegen het hek. Thuis laat zijn vader foto’s zien van het werk offshore. „Hoe ouder je wordt, hoe meer je gaat denken: ik wil kijken of hier ook een plekje is voor mij.”

Vader Boomsema: „Ik heb altijd gezegd: probeer het in ieder geval.”

De jonge Erik en Erwin zijn inmiddels, net als hun vaders, technicians – de naam voor de mensen die aan de gasinstallaties sleutelen, de putten onderhouden, schoonmaken en na een storing weer opstarten. Dat doen ze in een ander tijdperk dan hun vaders.

De NAM kon na de beving bij Huizinge (3,6 op de schaal van Richter), vijf jaar geleden, niet meer om het verband heen tussen de gaswinning en zware schades aan huizen. Eerder ontkende het bedrijf die relatie nog. Bovendien werd duidelijk dat mogelijk meer zware bevingen zouden volgen. Het winningsniveau is sindsdien door het ministerie van Economische Zaken meer dan gehalveerd, van 47 miljard kubieke meter per jaar naar 21,6 miljard kuub.

Mede daardoor verdwenen al vierhonderd banen bij de NAM, en nog meer bij toeleveranciers als Siemens en Stork. Voor de technici onder de circa 1.800 NAM’ers – de NAM is een van de grootste werkgevers in Noord-Nederland – brak een tijd aan met minder werk. Zo verdween bijvoorbeeld de nachtoproepbaarheid grotendeels.

Erwin Boomsema: „Vroeger moest een locatie er altijd gewoon op dezelfde dag weer bij. Nu is het: dat kan morgen, volgende week ook wel.”

Zijn vader: „Dat zou in die tijd wel een luxe zijn geweest.”

Felle landelijke discussie

Tegelijkertijd is een felle landelijke discussie losgebarsten over ‘Groningen’, vooral door het soms moeizame proces van schadeafhandeling. Tussen 2012 en april 2017 zijn er ongeveer 80.000 meldingen geweest, waarvan er zo’n 4.000 nog niet zijn afgerond – vaak lastige gevallen. Hard waren ook de conclusies van de Onderzoeksraad voor Veiligheid: winst was jarenlang het belangrijkste voor bedrijf en ministerie.

Het vertrouwen in de NAM is nu kleiner dan ooit. Het bedrijf wordt gezien als sloper van de provincie, niet langer als economische opbouwer. Lange tijd beoordeelde het de schades aan huizen bovendien zelf – waar een nieuw te ontwerpen schadeprotocol binnenkort een eind aan moet maken. In verschillende rechtszaken staat het bedrijf tegenover gedupeerde Groningers, die vaak overwinningen behalen. Zo bleek in november dat de NAM ook de schade moet vergoeden bij een ontruimd huis net buiten het officiële bevingsgebied. Die kwestie speelde al drie jaar. Het hof heeft het Openbaar Ministerie bovendien opgedragen strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de NAM voor het mogelijk in levensgevaar brengen van bewoners.

De ‘gewone’ technicus kan niet om dat debat heen. Niet alleen omdat ze soms ook zelf scheuren hebben gehad – zoals René Boomsema. Kort na de beving van Huizinge, hij werkte toen nog, kregen hij en zijn team instructies: ben je op de productielocatie en komen er mensen langs met vragen, dan verwijs je ze door naar het hoofdkantoor in Assen. „Zo simpel is het. Je kan al gauw verkeerde dingen zeggen, terwijl het niet je bedoeling is.”

Het werk in Groningen veranderde. Het betekent nu niet alleen minder oproepbaarheid, maar ook: demonstraties en actievoerende partijen tegenkomen. Paniek bij omwonenden wanneer je met een NAM-truck ergens heen rijdt. En privé aangesproken worden.

Een dochter van een NAM-werknemer schreef ons vorig jaar een brief: Mijn vader werkt bij de, uh, NAM

Geweigerd in de winkel

Zelf heeft Erik Schimmel het nog niet meegemaakt – hij woont nog steeds in Drenthe – maar hij kent genoeg verhalen van collega’s die in de supermarkt aan hun jas worden getrokken. Van vrienden van vrienden heeft hij wel een keer verbaasde blikken gehad. „Zit jij bij de NAM, vroegen ze een keer toen we bij de TT in Assen waren. Er wordt dan de rest van de dag anders tegen je aangekeken.”

René Boomsema stuurde in Friesland een paar jonge jongens uit zijn team naar een winkel om wat te drinken te kopen. „Zij werden met hun NAM-overalls geweigerd.” Ja, dat doet pijn. „Want dat had je voorheen niet. Toen was het altijd: NAM, kom maar, kom maar.”

Dus laten medewerkers hun jasjes nu meestal in de auto liggen. Met een dubbel gevoel. Erwin Boomsema: „Want je bent wel trots om hier te werken.”

Die trots is door de bevingen absoluut niet aangetast. De mannen balen „als een stekker” van de problemen in de regio, maar hebben geen twijfel bij hun werk. Het debat, vinden ze, is geëscaleerd – ook de NAM wil geen bevingen. Verder houden ze zich er weinig mee bezig.

Geert Schimmel: „Het is echt fantastisch werk. Ik zou niet weten waar ik meer techniek tot mijn beschikking zou hebben gehad.” Erik Schimmel moest er laatst tóch nog een keer ’s nachts op uit, over wegen vol ijzel. Naar een installatie waar de stroom was uitgevallen. „Dan ga jíj die weer opstarten. Want: er móét gas geproduceerd worden. Daar sta je voor.”

Zelf heeft hij een zoontje van vier. Zou hij het leuk vinden als die ook bij de NAM gaat werken? „Als zijn interesse niet in dit gebied ligt, houdt het op. Maar anders: ja, natuurlijk. Elke ochtend sta ik op en ga ik met plezier naar het werk. Dus waarom niet?”

    • Milo van Bokkum