Recensie

Tachtigplussers tonen glimp van het karakter van de stad

Boek oudere Amsterdammers

Twaalf levensverhalen van Amsterdammers van in de tachtig en negentig bieden een nostalgisch inzicht in de stad en haar bewoners. Allen maakten de oorlog mee, alsmede de wederopbouw.

Opening van het monument op de Dam in 1956, in aanwezigheid van koningin Juliana. Foto Benelux Press

Wat maakt Amsterdam nou zo Amsterdams? In een stad die haast zienderogen van karakter verandert, kan het houvast bieden op zoek te gaan naar het antwoord op die vraag. Het dit najaar bij uitgeverij Bas Lubberhuizen verschenen Onverslijtbaar – verhalen over het leven in Amsterdam toont met twaalf levensverhalen een glimp van het karakter van de stad. Schrijfster Margit Willems interviewde voor het boek oudere Amsterdammers uit verschillende milieus en beroepsgroepen. Van de kapster tot de verhuizer en de actrice tot de anesthesist. Ze hanteerde daarbij een ruimhartige definitie van Amsterdammer: lang niet alle opgetekende levensverhalen begonnen met een geboorte of zelfs jeugd in Amsterdam.

De expliciete keuze voor tachtigers zoals die op de kaft staat, betekent dat in bijna elke persoonlijke geschiedenis de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw een rol spelen. Zo stammen de eerste herinneringen van Max Harmsen (1932), die later ‘oppasser’ zou worden in dierentuin Artis, uit de oorlog. In zijn straat in De Pijp woonden NSB’ers. Waar dat precies voor stond, wist hij als kind niet, maar dat je voor ze moest uitkijken, dat wist hij wel. Vergelijkbaar is Harmsens besef, dat pas later goed doordrong, van de reden achter het plotselinge vertrek van het echtpaar in het benedenhuis. Het stel had „plotseling een jongen in huis”, met wie Max Harmsen een tijdje optrok. Van de ene op de andere dag waren ze allemaal weg. Pas jaren later snapte hij dat de drie waren verraden en weggevoerd.

Crisis en wederopbouw

Ingrijpender getekend door de oorlog is het leven van Louis Deen (1931), die pas na de oorlog naar Amsterdam kwam voor zijn studie geneeskunde. Als jongen moest hij onderduiken met zijn familie. Zijn ouders waren Joods en „van het gebroken geweertje”. Hij verloor in die periode een broer en een zus, al komen we er in het boek niet achter wat er is gebeurd.

In sommige van de levensverhalen zitten hiaten, waarover later meer. Maar deze specifieke omissie kan wellicht worden verklaard doordat schrijfster Willems met de vertellers vooral terugblikt op het Amsterdam van na de oorlog. Een periode van crisis, wederopbouw en woningnood aan de ene kant, en van geleidelijk herstel, toenemende tolerantie en een bruisend cultureel leven aan de andere kant.

Er is het verhaal van politieman Jan Molenaar (1930). Oorspronkelijk komt hij uit de Achterhoek, maar gedreven door de werkloosheid solliciteerde hij begin jaren vijftig voor – en kreeg hij een baan bij – de Amsterdamse politie. Sommige collega’s in het korps waren nog door de Duitsers opgeleid en bleven na de bevrijding aan. „Dat idee speelde toch onder de bevolking”, zegt Molenaar. Zijn eerste vijf jaar in Amsterdam woonde Molenaar in een door zijn adjudant geregeld kosthuis, want: „als alleenstaande kreeg je in Amsterdam echt geen huis”.

In bijna elk verhaal figureert de woningnood, die kennelijk nooit echt is opgelost. Dat zal dan toch een van die karakteristieke eigenschappen zijn van Amsterdam. Al waren de oorzaken anders. Zo memoreert Willems dat ongehuwden simpelweg geen recht hadden op een huis. De oplossing voor velen, net als nu: onderhuur.

Daarmee begint het Amsterdamse avontuur van Paula Rietveld (1924). Eigenlijk geen tachtiger, maar een negentiger, geboren in Eindhoven. Het nichtje van architect Gerrit Rietveld nam op een dag in 1947 de trein naar Amsterdam, stapte uit bij het Amstelstation, vond een kamer bij een hospita en vertrok nooit meer uit de stad. Haar leven is aan alle kanten verweven met de naoorlogse kunsten. Via haar neef Jan Rietveld maakte ze kennis met architect Aldo van Eyck en schilders als Karel Appel en Theo Wolvecamp („We kwamen allemaal vaak bij Aldo thuis en luisterden naar jazzmuziek uit Amerika”). En verrek: toen ze eenmaal een eigen huis had, hing er een touwtje aan de brievenbus waarmee vrienden zichzelf konden binnenlaten. Later kreeg ze twee kinderen met schrijver Jan Willem Holsberg. En uiteindelijk werd ze gelukkig oud met pantomimespeler Rob van Reijn.

Vrouwenfiguur op de Dam

Dan is er nog het kunstzinnige leven van Gerry van Wijk (ook 1924), die het schopte tot revuedanseres bij Carré. Misschien is de anekdote over hoe zij model kwam te staan voor de vrouwenfiguur op het Nationaal Monument op de Dam in zijn eenvoud wel het mooist.

Beeldhouwer John Rädecker vond de armen van zijn model – een collega-revuedanseres van Gerry van Wijk – te dun. Het was die collega die haar vroeg als vervanger. Stond ze voor een gulden „een uur of vijf, zonder boterham, zonder drinken” te poseren. Voor de onthulling van het monument met koningin Juliana in 1956 werd ze niet uitgenodigd, maar dat vindt ze niet erg. Ze weet niet eens of ze haar ouders er wel over heeft verteld. Zou ze inmiddels een van de meest gefotografeerde modellen zijn van Amsterdam?

Het is niet per se een grootse anekdote en dat geldt voor het hele boek. Willems interviewde geen bijster bekende personen of mensen met grote verhalen. Maar misschien geeft het boek juist hierdoor wel een mooi, zij het in nostalgie verankerd, beeld van de stad.

De vraag is of dat genoeg is. Enkele aspecten van het boek lijken niet goed uitgewerkt. Dat niet alle geïnterviewden geboren en getogen zijn in Amsterdam, kun je door de vingers zien. Maar dat het boek volgens de kaft een bundeling is van gesprekken met Amsterdamse tachtigers, klopt niet. Enkele van de geïnterviewden zijn de negentig ruim gepasseerd (niet dat dat hun levensverhalen minder interessant maakt, overigens). In sommige verhalen zitten bovendien hiaten. Nadat een van de geïnterviewden tegen het einde van het levensverhaal vertelt over een woningbrand, blijft bijvoorbeeld onduidelijk wat de schade was en vooral hoe de geïnterviewde dan uiteindelijk terechtkwam in de woning waar het interview plaatsvond, een huis ruim drie kilometer verderop.

Sommige levensverhalen blijven daarnaast wel erg op of net boven het oppervlak hangen, zodat niet helemaal duidelijk wordt waarom de geïnterviewde voor Willems zo de moeite waard was. Het is het soort onvolkomenheid dat maakt dat je dit boek toch vooral zou aanraden aan liefhebbers van lectuur over Amsterdam.

Onverslijtbaar – Verhalen over het leven in Amsterdam, Margit Willems, 192 p., uitgeverij Lubberhuizen, € 19,99.
    • Laura Klompenhouwer