Recensie

Hoe het Aramees de eerste wereldtaal werd

Wat het Latijn was voor het Romeinse Rijk, dat was in het eerste millenium voor Christus het Aramees voor het Assyrische Rijk, het Babylonische Rijk en het Achaemenidische Rijk. De taal werd eeuwenlang geschreven en gesproken in een gebied zo groot als de Europese Unie: van Egypte tot Afghanistan.

Het is dus niet vreemd dat Holger Gzella, hoogleraar Hebreeuws en Aramees in Leiden, zijn boek over de geschiedenis van het Aramees De eerste wereldtaal heeft genoemd.

Veel is van die taal niet meer over. Er zijn nog wat kleine gemeenschappen in Syrië, Turkije, Irak en Iran en nóg kleinere gemeenschappen van religieuze vluchtelingen in het Westen, waarbinnen varianten van het Aramees gesproken worden. Moderne Aramese talen, kan je zeggen, die van het oude Aramees afstammen.

Gelukkig zijn er wel veel oude teksten bewaard gebleven, in oude varianten van het Aramees. Twee bijbelboeken bijvoorbeeld: Daniël en Ezra. En hoewel de rest van het Oude Testament in het Hebreeuws is, zijn vrijwel alle latere Joodse religieuze teksten, zoals de uitgebreide commentaren bij de oude bijbelteksten, maar ook de mystieke teksten rondom de kabbala, in het Aramees.

Rond het jaar nul spraken de meeste joden de regionale taal (Aramees) en niet meer de lokale taal (Hebreeuws). Jezus, de mysterieuze prediker waar het Nieuwe Testament naar verwijst, zal dus ook wel Aramees gesproken hebben. Hoe dat geklonken heeft weten we niet. De vier Evangeliën citeren hem in het Grieks. Met één veelzeggende uitzondering: Jezus’ verzuchting ‘eli, eli, lema sabachthani’ (mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?) komt niet alleen diep uit het hart, maar is ook onversneden Aramees.

Er zijn ook veel vroeg-christelijke teksten in een Syrische variant van het Aramees. Meeslepende heiligenverhalen, religieuze poëzie, maar ook pittige theologische discussies over wat het nou precies betekende dat Jezus zowel mens als God was.

En voor wie ook eens wat anders wil dan het jodendom of christendom, zijn er nog de Dode-Zee-rollen (15 procent ervan is in het Aramees), de heilige boeken van de Samaritanen (verwant aan de joden, maar toch ook anders), en, heel exotisch: de heilige boeken van de Mandeeërs, die geloven dat de fysieke wereld is geschapen door een kwaadaardige god.

Gzella gaat uitgebreid in op de twee ‘Aramese’ bijbelboeken. Hij verklaart waarom juist die geschreven zijn in een combinatie van Hebreeuws en Aramees. Al die andere prachtige literatuur – laat-joods, vroeg-christelijk, gnostisch – wordt in het boek maar terloops behandeld. Wat jammer is.

Gzella is op de eerste plaats taalkundige. Hij probeert de ongeveer twintig verschillende varianten van het Aramees die er waren of zijn, uit elkaar te halen en houden. Dat doet hij door in te zoomen op klankverschillen, werkwoordsvormen, ontkenningen, lijdend voorwerpen en dergelijke, waardoor het boek soms iets te veel voor taalkundige fijnproevers geschreven lijkt.

Hij heeft er ook heel mooi wat moderne inzichten over meertaligheid in verwerkt. Het Aramees is volgens hem een „schoolvoorbeeld” van hoe een kleine, lokale taal (oorspronkelijk de taal van een streek in Zuid-Syrië) een grote „wereldtaal” kan worden: door haar geschikt te maken voor administratief en economisch gebruik, binnen een steeds groter wordend gebied, een steeds groter „rijk”.

Het theologisch taalgebruik lift daar vervolgens op mee. Veel religieuze woorden zijn van oorsprong bestuurlijke of politieke woorden: wet, gebod, volk, verbond, schuld, vergiffenis.