Recensie

Wat als de kunst zijn piep, kraak of bibber verliest

Persis Bekkering Perfectie is in wezen oninteressant, en toch streeft een muzikant ernaar. Daarover schrijft debutant Bekkering, ook literatuurcritica, een opvallende ideeënroman over kunst in tijden van neoliberalisme, in een stijl die rinkelt.

Een muzikant die speelt zonder dat er één valse noot te horen is, zonder één piepje, kraakje of bibbertje, speelt te goed, en dan noemen we het glad en smetteloos. Ziedaar de paradox van het uitvoeren van klassieke muziek, waarover een groot deel van de debuutroman Een heldenleven van Persis Bekkering handelt: een muzikant streeft naar technische perfectie, maar mag ook weer geen robot zijn.

Igor is wel zo’n robotachtige geweldenaar: hij is in alle opzichten perfect. Hij is het belangrijkste personage in de roman, maar slechts de tegenspeler van de twee hoofdpersonen. Eerst is het woord aan violist Adrian, die zich bedreigd voelt door Igors concurrerende perfectie en die, door zich voor honderd procent aan de muziek te wijden, tegen zijn grenzen aanloopt. Halverwege schakelt de roman over naar het verhaal van Kiriko, beeldend kunstenares. Zij worstelt óók met het systeem, een corrupt systeem, vindt ze, waarin de kunstenaar zijn bestaansrecht ontleent aan succes en waardering. De enige uitweg: ze zondert zich af, wil alleen nog kunst maken die de buitenwereld niet zal zien, weg van het gehengel naar schouderklopjes. Dat isolement eindigt als ze Igor ontmoet.

Bekkering (1987), recensent literatuur en klassieke muziek voor voornamelijk de Volkskrant, debuteert met een boek dat vooral als ideeënroman gelezen moet worden: Igor is eerder een idee dan een personage (want perfectie is min of meer zijn enige eigenschap) en Adrian en Kiriko fungeren als zijn tegenbeelden. De bruuske overschakeling naar een heel nieuw verhaal benadrukt ook het belang van de ideeën – over kunst, perfectie en toewijding – boven de personages.

De meest prikkelende gedachte in Een heldenleven komt van Igor: hij beschimpt de ouderwetse ideeën van Adrian, in dit geval over Rome, dat ten prooi is gevallen aan commercie en neoliberalisme: ‘Jij ziet La Grande Bellezza. Maar jouw standaard van bellezza is niet ontwikkeld, maar geborneerd en snobistisch, waar jij ook niets aan kunt doen, want jouw professie is nu eenmaal het conserveren van een Europees ideaal dat helaas al door de tijd is ingehaald.’

Daar legt Bekkering de vinger op de zere plek: neoliberalistische mechanismen bedreigen de kunst, vindt de kunst, want waar technische perfectie en massale waardering regeren, verliest kunst zijn piep, kraak of bibber.

Intellectualistisch onderwerp

Maar hoe dan verder? Die stap komt minder uit de verf in Een heldenleven, dat dreiging en verlies portretteert, maar geen uitweg – en daarmee bevredigt het als ideeënroman niet helemaal. Dat neemt niet weg dat Bekkering een grotendeels geslaagd en opvallend debuut heeft geschreven, ook dankzij een schrijfstijl die klinkt en rinkelt. Verwant aan de stijl van generatiegenoten Joost de Vries en Niña Weijers (ook in intellectualistische onderwerpkeuze trouwens) laat Bekkering weinig kansen onbenut om haar zinnen te laten opkrullen of te doen glanzen van de beeldspraak.

Dat gaat vaak goed, zoals wanneer muzieknoten opspringen ‘als geroosterde pompoenpitten’, maar soms lees je overbodige pedanterietjes (‘Dit was haar Pirandello-moment’) of metaforen die de mist in gaan: ‘Het water weerkaatste het lawaaierige afvalproduct van bier drinkende mannengezelschappen op sloepen’ – wat klatert daar nou? Dat kun je, met wat goede wil, zien als het piepje of kraakje dat net een vleugje menselijkheid in de kunst brengt. Perfectie bereikt Bekkering nog niet, misschien maar beter ook.

    • Thomas de Veen