Opinie

Vasthouden aan koloniale nostalgie helpt niemand verder

Ieder tijdsgewricht ruziet over wie held is en wie schurk, schrijft . Hij reageert op historicus Piet Emmer die vindt dat nakomelingen van slaven niet moeten ‘rondzeuren’ in het verleden.

Beeld van Peter Stuyvesant, in het West-Indisch Huis in Amsterdam. Foto Hans Zaglitsch

De JP Coenstraat in Tilburg en Utrecht, de Stuyvesantstraat in Amsterdam, de Van Heutzstraat in Enschede, het standbeeld voor Coen in Hoorn en een beeldje voor Stuyvesant in Amsterdam – eerbetoon aan koloniale houwdegens vinden we in heel Nederland.

In zijn vorige week verschenen pamflet ‘Het zwart-witdenken voorbij’ trekt historicus Piet Emmer aan bel over een ‘beeldenstorm’ die in Nederland zou woeden. Het oproer komt volgens de historicus voort uit een te negatief beeld van het koloniale verleden. Erger nog, door beelden en namen te verwijderen zou de geschiedenis worden uitgewist.

Tegelijkertijd roept Emmer nakomelingen van slaven op om het verleden juist te vergeten. Hij verwijst hiervoor naar oorlogskinderen; die zouden beter af zijn geweest als ze niet over traumatische gebeurtenissen uit de oorlog hadden gehoord. Eerder liet de historicus zich in de Volkskrant iets soortgelijks ontvallen: „De slavernij is zo lang geleden. Het verbaast me altijd opnieuw dat mensen daar eindeloos in blijven rondzeuren.” Dat ‘rondzeuren’ zou bij nakomelingen van slaven de maatschappelijke vooruitgang in de weg staan.

Lees ook onze recensie van het pamflet van Piet Emmer: Vroeger dachten we toch echt anders.

Voor de rest van de samenleving hanteert hij een andere maatstaf. Standbeelden en plaatsnamen die verwijzen naar de koloniale geschiedenis moeten juist onaangetast blijven. Kritiek op dat verleden doet hij af als ongeïnformeerde politieke correctheid.

Overigens werd er tijdens die hele ‘beeldenstorm’ van afgelopen jaar maar één beeld verwijderd: een kunststoffen replica van een buste van de koloniaal bestuurder Johan Maurits van Nassau-Siegen werd zonder ophef uit de ontvangsthal van het Mauritshuis gehaald, terwijl het museum gelijktijdig begon te investeren in historisch onderzoek naar hun naamgever.

Verwijdering van beelden doet dus geen ‘blinde vlekken’ ontstaan.

Verkondigt Emmer dan alleen maar onzin? Zeker niet. Volkerenrecht en mensenrechten bepalen tegenwoordig ons denken over kolonialisme en slavernij. Het is terecht dat Emmer ons wijst op het feit dat beide in het verleden niet bestonden. Steen des aanstoots hierover is voor hem voornamelijk het hedendaagse idee dat kolonialisme per definitie fout en dekolonisatie goed zou zijn.

Enige balans is inderdaad goed. Bij Emmer echter, heeft de heroverweging van onze ingesleten aannames over kolonialisme en slavernij een onaangename bijsmaak. Emmer ziet slechts twee effecten van kolonialisme: een positief effect op de gekoloniseerden en geen effect op de kolonisator.

Ook door een heel aantal zeventiende-eeuwse brillen wilde Stuyvesant niet deugen

Negatieve effecten worden, in weerwil van de feiten, steevast afgedaan als politiek correcte verzinsels. Maar het valt niet te ontkennen: de koloniale geschiedenis zit Nederland in de vezels. En dat is niet alleen positief. Krampachtig vasthouden aan koloniale nostalgie helpt niemand verder.

In de decennia dat de Republiek der Verenigde Nederlanden omschakelde naar een modern koninkrijk, veranderde een los samenraapsel van overzeese vestigingen in een centraal geadministreerd wereldrijk met beschavingsambities. Bij die ambities hoorde een legitimering van de eigen superioriteit, naast raciale theorieën ook gestoeld op het beeld van een groots eigen verleden.

De verering van zeehelden uit de Gouden Eeuw kwam echter pas in het midden van de negentiende eeuw plotseling op gang – tweehonderd jaar na hun dood dus. Daarom bevinden Nederlandse zeeheldenbuurten zich nooit binnen de zeventiende-eeuwse omwallingen van onze steden, maar altijd daar buiten, in de moderne stadsuitbreidingen. De vereringscultus is dus grotendeels geen erfenis van dat verleden zelf, maar van een latere, politiek gekleurde herinneringscultuur die leidde tot koloniale zelfoverschatting.

Er zijn eigenlijk geen historische argumenten om de uitwassen daarvan onweersproken op een voetstuk te laten staan. De koloniale standbeelden en straatnamen zijn geen historische overblijfselen uit de Gouden Eeuw, maar a-historische verwijzingen naar dat verleden uit de negentiende en twintigste eeuw.

Volgens Emmer is het moraliseren over het verleden ‘waanzinnig’. De discussie over straatnamen en beelden is echter niet geboren uit een hedendaagse veroordeling van het verleden, maar uit een kritiek op de manier waarop we dat verleden herinneren. Daar is niets waanzinnigs aan.

De andere kant is immers dat de beelden en straatnamen stammen uit een a-historische en even zo moralistische verheerlijkingsgolf. Ieder tijdsgewricht ruziet over wie held is, en wie schurk. We hoeven ons stadsgezicht niet te laten belasten door de keuzes van onze voorgangers.

Lees ook dit opiniestuk van Ian Buruma: Wanneer mogen we een historische figuur van zijn sokkel trekken?

Waarom laten we bijvoorbeeld een twintigste-eeuws beeld van Peter Stuyvesant (gouverneur van Curaçao en Nieuw-Amsterdam) staan? „Door dat beeld te verwijderen, zouden we nooit [sic] geconfronteerd worden met het feit dat volgens onze huidige opvattingen bijna iedereen in het Nederland van de zeventiende eeuw racist en antisemiet was”, schrijft Emmer. Gemakshalve gaat hij aan andere, tegengestelde opvattingen uit die tijd voorbij, bijvoorbeeld van zeventiende-eeuwse Joden in zowel Amsterdam als Nieuw-Amsterdam, die tegen het antisemitisme van Stuyvesant waren.

Dit geldt mutatis mutandis ook voor de opvattingen van tot slaafgemaakte Afrikanen op Curaçao over Stuyvesant of zelfs de witte kolonisten; in hun ogen was het denken en doen van Stuyvesant allerminst vanzelfsprekend. Stuyvesants antisemitisme was zelfs voor directeuren van de West-Indische Compagnie zo extreem, dat ze zich er meermaals over beklaagden. Ook door een heel aantal zeventiende-eeuwse brillen wilde Stuyvesant niet deugen. Het standbeeld voor de man is dan ook niet in de zeventiende eeuw opgericht en hoeft in de eenentwintigste eeuw niet te blijven staan.

Zoals we in januari thuis de kerstboom opruimen, kunnen we na de omarming van anti-racisme, mensenrechten en volkerenrecht zonder gewetensbezwaren Peter Stuyvesant en de zijnen van hun sokkel halen. Het verleden zal niet worden vergeten – tenzij we historische belangstelling voor het koloniale verleden blijven afserveren als ‘rondzeuren’, want dat is ontegenzeggelijk veel schadelijker.