Tien jaar cel voor rellen: Hongaarse rechtspraak is al snel politiek

Vluchtelingencrisis

De Syriër Hamed werd veroordeeld voor terreur. Een unfaire zaak, oordeelde het Europees Parlement.

Migranten aan de grens tussen Servië en Hongarije in Röszke. foto Istvan Ruzsa/Epa

Op 16 september 2015, het hoogtepunt van de Europese vluchtelingencrisis, stond Ahmed Hamed met zijn bejaarde ouders en enkele honderden migranten voor een politieblokkade op de Servisch-Hongaarse grens in Röszke. Hongarije had een dag eerder zijn grenshek afgesloten. Een frustrerend oponthoud voor Hamed, een Syriër die al tien jaar op Cyprus woonde. Hij vergezelde zijn vader en moeder, die aan diabetes lijdt, op hun tocht richting West-Europa. Vervolgens zou hij snel terugkeren naar huis, vertelt zijn Cypriotische vrouw Nadia Philippides.

Maar inmiddels zit Hamed (41) al tweeëneenhalf jaar in een Hongaarse cel. Zijn betrokkenheid bij rellen tussen migranten en de Hongaarse politie die dag leverde hem een gevangenisstraf van 10 jaar op. Zijn misdrijf: terrorisme. Een rechtbank in Szeged spreekt zich een dezer dagen in hoger beroep uit over de zaak die volgens Hameds medestanders toont hoe politiek, rechtspraak en propaganda verstrengeld zijn in Hongarije.

Waar het om gaat is Hameds rol in een confrontatie tussen een groep mannen die in Röszke door de politiebarricade wilden breken en agenten die antwoordden met traangas en het waterkanon. Door de menigte toe te spreken met een megafoon, projectielen te gooien en te eisen dat de grens terug open zou gaan, bezondigde Hamed zich volgens het oorspronkelijke vonnis aan „een terreurdaad”.

Orbán zei eerder in een interview: Als we in overweging nemen dat terroristen zich recent hebben voorgedaan als vluchtelingen, dan zien we dat dit de gemakkelijkste methode is voor terroristen om Europa binnen te komen. Lees daarover: wordt Hongarije het eerste EU-land zonder migranten?

Premier Viktor Orbán benadrukt regelmatig het verband tussen migratie en terrorisme, twee dreigingen waartegen hij zijn land naar eigen zeggen verdedigt. De veroordeling van Ahmed was koren op zijn molen. Regeringspartij Fidesz voerde actief campagne tegen de rellende Syriër en hamerde op zijn lidmaatschap van islamitische organisaties.

Maar in juli besliste een beroepsrechtbank dat de rechtszaak opnieuw moest. De rechtbank in eerste aanleg had immers niet toegelicht waarom ze bewijsmateriaal in het nadeel van Ahmed wel in overweging had genomen bij het bepalen van haar vonnis, maar verklaringen in zijn voordeel niet.

„Een showproces”, noemt Philippides het: getuigen spraken elkaar tegen en Ahmed had zijn megafoon ook gebruikt om de menigte op te roepen tot kalmte. „Ahmed is geen fundamentalist: onze kinderen gaan naar een Grieks-orthodoxe school, hij viert Kerst met ons.” Zelf verklaarde Hamed in juni in de rechtbank: „Ik besefte dat als ik iemand vertel dat mijn naam Ahmed of Mohammed is, ze denken dat ik een terrorist ben. Ik respecteer alle religies.”

Maar de crux blijft volgens Todor Gardos, van Amnesty International, dat „het gooien van enkele stenen niet gelijk gesteld kan worden met een daad van terrorisme”.

Ook het Europees Parlement nam in mei een resolutie aan waarin het sprak over een „unfaire rechtszaak” tegen Hamed. Maar de regering blijft bij haar standpunt. Ze liep deze week vooruit op het nieuwe vonnis met een persconferentie en een Facebook-bericht: „Ahmed H. is een terrorist.” De persconferentie was volgens staatssecretaris voor Justitie Pál Völner nodig om de rechtbanken te beschermen tegen „externe druk”.