Recensie

Ralien ziet en zegt wat Rolien verzwijgt

Josepha Mendels

Het heruitgegeven debuut van Josepha Mendels is misschien géén ziektegeschiedenis, zoals in de jaren veertig gedacht. Het vervaarlijke alter ego Ralien van de jonge Rolien toont ons de wordingsgeschiedenis van een schrijver.

De constatering dat de voornaamste taak van de schrijver die van de getuige is, komt me voor als verstandig. Je zou kunnen stellen dat Josepha Mendels (1902-1995) met haar heruitgegeven debuut Rolien en Ralien die bewering huldigt. En dan preciezer ‘de geboorte’ en het opgroeien van de getuige in jezelf. De jonge hoofdpersoon Rolien leeft met Ralien, een beschouwende versie van zichzelf. Ralien is een vervaarlijk tweede ik, die in koele, beschrijvende termen kan spreken. Afstandelijker, ze reciteert in boekentaal en kan de tweede én derde persoon enkelvoud hanteren over Rolien. En zoals het een interessant getuige betaamt heeft ze vervaarlijke randjes. Zo zal het meisje Rolien niet sterven als ze maar zoveel maal een lichtknopje aan en uit doet. Ralien heeft bovendien toornige en grootheidswaanzinnige trekjes.

Wat mooi werkt is dat de scherpe observaties, die Mendels doet vanuit het kleine meisje, zo technisch bij Ralien terechtkomen. Wanneer de vader van Rolien zegt dat het mogelijk is je in Parijs in een jongetje te laten veranderen, hoor je automatisch Ralien zeggen: ‘Dat hij deze woorden ook aan het kind meegedeeld heeft ontgaat hem. Evenals de uitwerking ervan. Het merendeel der ouders zaait zo kwistig het eerste zaad waaruit die sombere en geweldige plant, eenzaamheid, verrijst. En wanneer onverwacht iets van haar schaduw hen bereikt, stoten zij in naïeve verbazing een of ander zinnetje uit, als: ‘Hoe komt ons kind toch zo… van wie heeft ze dat in ’s hemelsnaam?’’

Mendels is er steeds op uit een innerlijke verdeeldheid te treffen. Bijvoorbeeld die tussen verliefdheid en vriendschap: haar jeugdvriendin Titi heeft ze innig lief, zozeer dat Titi haar toebijt dat ze geen eergevoel bezit. Er is ook de verdeeldheid tussen verwachting en realiteit van het vertrek uit het familiehuis naar Parijs, om daar als gouvernante te gaan werken. En de verdeeldheid in de liefde zelf. De walging van én het verlangen naar de precieuze meneer Charles L. die haar zoveel geïnteresseerde vragen stelt, gaan gelijk op.

Waar we Mendels voor mogen danken is het wegblijven van al te schematische verdelingen tussen Rolien en Ralien, mooi treft ze zo hoe zij waarlijk in elkaar overlopen. Een mindere geest had het organiserend talent het denk- en voelwerk laten overstemmen, een kwaal van onze tijd, die de ambiguïteit van onze (debuut)romans niet ten goede komt. Mendels sprak overigens liever over haar luisteraarschap, in plaats van schrijverschap. Dat is goed terug te lezen: al haar scènes klinken, alsof ze zo op toneel kunnen.

In 1947 was de ontvangst unaniem positief. Ook de geëerde criticus Simon Vestdijk schreef over Rolien en Ralien, en wat nu frappeert is zijn overtuiging met een ziektegeschiedenis van doen te hebben. Hij omschrijft Rolien als ’een suïcidaal door schizofrenie geteisterd, noodlottig eindigend meisje’. En later: ‘Rolien pleegt namelijk zelfmoord.’ Hij baseert zich op de laatste zinnen: ‘Dan heeft zij verder langs het water gelopen en niemand heeft haar ooit meer teruggezien.’ Waar Vestdijk zelfmoord zag, zou ik stellen dat de jonge vrouw Rolien hier schrijver is geworden. Zij is opgegaan in het verhaal dat je zojuist uitlas. Precies zoals zij vanaf haar vroegste jeugd verlangde.

    • Hannah van Wieringen