Recensie

Bij Tonke Dragt klinkt het zingen van de sterren

Tonke Dragt Een verzamelbundel met 26 verhalen uit het oeuvre van Tonke Dragt is een schitterende afspiegeling van haar tijdloze oeuvre. En, dankzij autobiografische anekdotes, een kenschets van Dragt als mens.

‘Waarom zou ik, in ’t lied van de krekels/ het zingen van de sterren niet horen?’ Deze woorden dansen. Ze klinken zoet en helder. En samen vormen ze een vraag zo verbeeldingsvol en ongrijpbaar als het leven zelf, dat je als vanzelfsprekend accepteert dat er nooit een antwoord komt.

Tonke Dragt (1930) schreef ze. Ze vormen het slot van het laatste verhaal in Als de sterren zingen, misschien wel haar laatste boek. Ze zijn typerend voor haar schrijverschap waarin grenzen tussen fantasie en werkelijkheid niet bestaan. Het is die grenzeloosheid die de nieuwe verhalenbundel, als een schitterende afspiegeling van Dragts oeuvre, universele zeggingskracht en tijdloze karakter geeft.

‘Nieuw’ betekent niet enkel nieuw werk. Dragt selecteerde zesentwintig verhalen en enkele daarvan kennen we al. De sage ‘Het gevaarlijke venster’ bijvoorbeeld, uit het door De brief voor de koning (1962) en Geheimen van het Wilde Woud (1965) beroemd geworden land Unauwen. En het nog immer actuele ‘De robot van de rommelmarkt’ (1967) waarin mens en machine inwisselbaar zijn – of lijken.

De meeste verhalen zijn echter allang onverkrijgbaar, of nooit eerder gepubliceerd. Zoals ‘De drie dwazen’ (1956), een (kerst)vertelling over de existentiële strijd van een wetenschapper die in tegenstelling tot zijn vrienden bewust niet met die ene stralende ster is meegereisd, en sindsdien worstelt met eenzaamheid en de vraag waarom hij niet (meer) in wonderen gelooft. Ook het gevoelvolle slotverhaal over een koning die niet begrijpt waarom zijn jongste zoon ’s nachts naar buiten gaat om de sterren te horen zingen, is een onbekende. Dragt was zeventien toen ze dit verhaal schreef en woonde nog in haar geboorteland Indonesië. Bedwelmd door een tropische nacht ‘was het er opeens, geheel compleet’, schrijft Dragt.

Zo’n ontstaansgeschiedenis volgt na bijna alle verhalen. Ze lezen als oprechte autobiografische anekdotes en maken deze bundel binnen Dragts oeuvre volstrekt uniek. Ze kenschetsen Dragt als mens én als de mysterieuze verhalenverteller die ze is, en bieden boeiende persoonlijke en literaire wetenswaardigheden. Na ‘De doos van Ibrahim’ – een sprookje dat, geholpen door Dragts eigen treffende kleurrijke waskrijtillustraties, is doortrokken van een magische oosterse sfeer – onthult Dragt bijvoorbeeld overwogen te hebben een soort Duizend-en-een-nachtboek te schrijven. Evenzo wilde ze ooit een tuinverhalenbundel samenstellen. Wie haar overweldigende collages vol bloemenpracht en vlindergefladder ziet, en ‘Twee rode tulpen’, ‘Het woud van petunia’s’ en ‘Zeven nachten in een tuin’ leest, zal betreuren dat het bij een idee is gebleven.

Dragt blijft ook in woord betoverend. Ze is een meester in suggestief schrijven en in het oproepen van de juiste sfeer. In ‘Zeven nachten in een tuin’ word je net als nachtdief Jonathan moeiteloos overmeesterd door een bijgelovige angst, veroorzaakt door meeslepende zinnen vol vage nachtgeluiden die geheimzinnig weerklinken. Daarentegen is het kafkaëske ‘Een visum voor Bureaucratië’ eerder humorvol. Met plagerige raadsels speelt Dragt met je zoals de Bureaucratische Ambassade dat met haar hoofdpersonage doet. ‘In de maneschijn’, dat Dragt schreef naar aanleiding van de Hongaarse opstand (1956) en is geïnspireerd op het liedje Au clair de la lune, is dan weer pure melancholie, met zinnen die zingen van onvervuld verlangen.

Dragt lezen voelt als kijken door een caleidoscoop. Perspectieven wisselen. Kleuren verschuiven. Patronen veranderen. Wie wil niet blijven ronddraaien? Wie wil niet, ‘in ’t lied van de krekels/ het zingen van de sterren kunnen horen?’