Recensie

Helemaal blij met het Dustertje

is gelukkig met de Dacia Duster. Hij is écht goed.

De Dacia Duster bij Autohaag Zeeuw in Delfgauw. Foto Peter de Krom

Wat mij ter ore kwam: van de Dacia Duster, de simpelste en betaalbaarste terreinwagen op de markt, bestelt de meerderheid de meest luxueuze versie, volkomen on-Daciaas ‘Prestige’ gedoopt. Heeft men het Roemeense budget-SUV’tje voor 25 mille toch mooi met multimedia en navigatie.

Hoor ik daar, o gruwel, over een dodehoeksensor? Een handsfree card voor instappen zonder sleutel? Was dit een cultauto of niet?

Wie hem zulke welvaartskuren aandoet heeft van zijn spartaanse charme niets begrepen. Knullig en onbeholpen moet hij zijn. In een suffe kleur en met stalen velgen, veel mooier dan het aandachttrekkerige lichtmetaal van de Prestige. Dit mag geen zielig opgetutte Max-mensencrossover voor de buitenwijken worden. Met de led-dagrijverlichting, betreurenswaardige handreiking naar de moderne consument, zullen Dusterpuriteinen moeten leren leven.

Daarom meteen een bindend koopadvies. Het basismodel Essential van 19.280 euro valt af: geen vierwielaandrijving. Het wordt voor drie mille meer dezelfde kale kip met 4×4. We nemen hem in unizwart dat niks extra kost en bestellen er voor 595 pop hooguit een handbediende airco bij, daarmee basta. Voor 23 mille staat er dan een zweetbestendig crisisterreinwagentje dat geen verkeerde aandacht trekt, geen afgunst wekt en in deze prijsklasse zijn gelijke niet kent. Shockingly affordable – geen reclameleus was ooit zo waar.

Gulle prullenla

Dat het een nieuw model is zie je nauwelijks. Alleen de kenner houdt de oude en de nieuwe uit elkaar. De grille is verbreed, de aluminiumkleurige beschermingsplaten onder de bumpers voor en achter werden vergroot, maar de compacte buitenmaten zijn gelukkig ongemoeid gelaten. Toch is hij drastisch verbeterd en gemoderniseerd. Oost-Europees trouwhartig brengt het merk verslag uit van de geleverde werkzaamheden. Opgetogen lees ik over de „verbeterde kitafwerking en pluggen” en de „extra bergruimte in de middenconsole”. Helemaal blij word ik van de gulle, 2,8 liter grote prullenla onder de bijrijdersstoel. Roerend belooft Dacia dat de „nieuw ontwikkelde hoofdsteunen achterin” een beter zicht naar achteren bieden „wanneer er geen achterpassagiers zitten”. Zulke nederige voortgangsrapportages vind je nou nooit in de megalomane persmappen van Duitse fabrikanten, die het te druk hebben met uitstraling en dynamiek. Voor de beoordeling van de nieuwe stoelen had ik moeten onthouden hoe de oude waren, maar ze zitten goed, dus ook op dit vlak lijkt de Daciaanse ijver welgedaan. Wel is het dashboard iets te mooi geworden, de fiere plastic grauwheid is eraf. Het digitale temperatuurdisplay in de thermostaatknop is haast Audi, hu.

Dacia biedt de Duster niet meer met een dieselmotor aan, die door de BPM-toeslag te duur zou zijn geworden. Hij moet het met één viercilinder benzinemotor doen, de 1.199 cc turbo met 125 pk. Dit jaar volgt een iets zwakkere biofuel-variant die zowel op gas als op benzine loopt. De levendige motor heeft geen moeite met een auto van nog geen 1.300 kilo. Hij is snel zat, de zesbak schakelt uitstekend, het interieurgeluid is beschaafd, de bagageruimte royaal met 478 liter en 1.623 met neergeklapte achterbank. Na een uur rondcrossen onder de rook van Nijmegen ben ik gelukkig met het wagentje. Ik hoef het niet met die versleten mantel van bemoederende liefde te bedekken. Het is verdomme écht goed!

Op een offroadparcoursje in Valburg blijkt het Roemeentje best wat mans te zijn. Met de inschakelbare vierwielaandrijving ploegt het onverdroten door de winterprut. Het helt zonder om te kieperen zijwaarts tot 42 procent. Met Hill Descent Control kun je het gecontroleerd een helling laten afdalen zonder het gaspedaal aan te raken. Een 360 graden-camera biedt het in het terrein nuttige totaaloverzicht over de woeste gronden die hij zal veroveren. Pardon, die is voorbehouden aan het multimediapakket dat we zijn puurheid niet laten besmeuren. Dan maar zelf op de uitkijk, komen er vanzelf de mooie, authentieke deuken in die hem een nog doorleefder aanzien zullen geven. Aan de hoofdsteunen zal het niet liggen.

Al met al vertegenwoordigt het Dustertje het in zijn genre zeldzame verschijnsel van de nuttige auto. De meeste terreinachtigen zijn puur showvervoer. Jaja, er zijn mannen die voor hetzelfde bedrag een lekkende, onbetrouwbare, oncomfortabele, luidruchtige tweedehands Land Rover Defender aanschaffen. Ik begrijp hun sadomasochisme best. Zij kopen een stijlicoon dat bergen kan verzetten, en vast meer in zijn mars heeft dan het Dustertje. Maar dat verschil in vaardigheden weegt in dit vlakke land toch minder zwaar. Hun imago alvast zou niets te lijden hebben onder een waterdicht, modern en vrolijk vierkeerviertje dat het wél doet. De Duster is een lief, onmodieus praktisch protest tegen dat gruwelijke crossoverhedonisme.