Franse kapmesmoorden verdelen Tsjadische moslims

Antropologie

Historici in Tsjaad proberen een koloniaal drama te duiden. Het legt de hedendaagse spanning bloot tussen een rekkelijke en een salafistische islam.

Begraafplaats van de Martelaren in Abéché, Tsjaad. Hier liggen de 150 slachtoffers van de kapmesmoorden door Senegalese tirailleurs in 1917. Foto Dorrit van Dalen.

Een ommuurde leegte in een oude wijk van poto-poto huizen. De zon strijkt over grauwgeel gras, een paar doornige bomen, geiten. Verder niets. Geen tombes, geen namen, naar islamitisch gebruik. Maar dit is de Begraafplaats van de Martelaren in Abéché, de hoofdstad van de Tsjaadse provincie Wadai. De naar schatting 150 lichamen die hier liggen, zijn van slachtoffers van een drama dat zich in november 1917 precies hier afspeelde. In opdracht van een Franse koloniale commandant werden ze op een ochtend vermoord met machetes of ‘coupe-coupes’ in het Frans. Onder hen waren ongeveer 20 ulama, islamitische geleerden.

Honderd jaar later proberen historici in Tsjaad grip te krijgen op de gebeurtenis die als ‘kubkub’ de geschiedenis in ging. Daarmee komen ze terecht in een debat dat momenteel op veel meer plekken in de wereld speelt, tussen salafisten en rekkelijke moslims. De spanning tussen de twee stromingen in de islam neemt toe. In Tsjaad kleurt die hoe men naar Frankrijk en de koloniale geschiedenis kijkt.

Het drama in 1917 was in de rest van Tsjaad tot voor kort onbekend, in Wadai is het een mythe geworden. Daar vertellen ze verhalen over ulama die ontkwamen door weg te vliegen. Ateib Idriss Halawlaw kent de verhalen. Hij is vice-rector van de Universiteit van Ndjamena en komt zelf uit Wadai. Bij het bezoek aan hem zijn de gangen van de universiteit leeg. Er wordt al maanden gestaakt, Halawlaw heeft dus tijd. In een rommelig kantoor en temidden van collega’s vertelt hij over de kubkub. „Iedereen heeft nu zijn eigen verhaal, en het aantal doden wordt vaak schromelijk overdreven. Al die verhalen zou je naast elkaar moeten leggen, methodisch vergelijken en dan vaststellen wat er echt gebeurd is. Dat is alleen maar goed voor onze relatie met Frankrijk.” Hij spreekt in Standaard Arabisch, want „over wetenschap kan je niet praten in dialect”. Toch worden zijn woorden in het Tsjaads Arabisch dialect vertaald, want geen van zijn collega’s verstaat Standaard Arabisch.

Aaneengesloten territorium

Het sultanaat Wadai was aan het begin van de 20e eeuw de laatste onafhankelijke staat in de Sahel. In een aanvullend akkoord na het Congres van Berlijn (1884) werd Wadai als te koloniseren gebied toegewezen aan Frankrijk. Dat kreeg daarmee de kans om van Frans West Afrika een aaneengesloten territorium te maken, strekkend van Congo tot Tunis en van Mauritanië tot Wadai. De macht van Wadai was gebaseerd op handel, vooral met Noord-Afrika, langs routes dwars door de woestijn. Het ging vooral om handel in slaven, die Wadai in jaarlijkse razzia’s met duizenden tegelijk ‘ving’ bij buurvolken. Frankrijk kon dus makkelijk geloven in zijn ‘mission humanitaire et civilisatrice’. Het sneed de handelsroutes af, vestigde zijn militair gezag en verving in 1909 sultan Dud Murra door een stroman. De bevolking kon zich alleen maar schikken.

Maar met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog veranderden de verhoudingen tot in Wadai. De sultan in Istanboel, sultan van alle Moslims in het Ottomaanse Rijk, waartoe volgens Istanboel ook die in Afrika behoorden, riep op tot jihad tegen de Europese bezetters van islamitische landen, met name tegen Frankrijk en Groot Brittannië. In Wadai gingen geruchten over een Turk en een Duitser die met huursoldaten op weg zouden zijn naar Darfur en Wadai. Dat was een van de dingen die de onervaren commandant Gérard, die de leiding had over de ‘conscription militaire’ van Wadai, nerveus moeten hebben gemaakt.

Historici in Tsjaad zijn het erover eens dat de aanleiding voor kubkub klein was: een dronken slaaf vermoordde op de markt een Fransman, omdat een sheikh hem het paradijs had beloofd als hij een ongelovige doodde. Gérard zag dat als signaal van een complot tegen de Fransen. De volgende ochtend gaf hij zijn soldaten opdracht om de mannen in de wijk van religieuze en politieke leiders te onthoofden met ‘coupe-coupes’, zodat de inwoners van omliggende wijken en dorpen niet door het lawaai van geweren gealarmeerd zouden worden.

Voor de rest liggen de visies ver uit elkaar, zo bleek ook tijdens een conferentie over de kubkub in november. Het initiatief ervoor kwam van een organisatie voor Steun aan de Arabische Taal. Het doel, volgens de uitnodiging, was om hehet Arabisch te verbreiden, de nationale eenheid te versterken en Frankrijk op te roepen om genoegdoening te betalen voor de schandelijke misdaad.

Wat de eerste twee doelen betreft: Tsjaad heeft volgens de grondwet twee officiële talen, Frans en Arabisch. Maar het lokale Arabische dialect ligt ver af van het Standaard Arabisch. Het dialect wordt niet geschreven en kan dus niet gebruikt worden voor internationale communicatie. Sinds decennia stimuleren Saoedi-Arabië en andere landen in het Midden Oosten het Standaard Arabisch in Tsjaad door middel van investeringen in onderwijs, media en ngo’s. Die investeringen gaan samen met de promotie van de Saoedische, salafistische Islam. Als die het hele land zou winnen, is er ook nationale eenheid.

Rituelen rond het gebed

Salafisten, die zich in Tsjaad Ansar al-sunna noemen, verwerpen de Islam zoals die sinds eeuwen in Tsjaad wordt beleden, sinds de 19e eeuw onder het label Tijaniyya. Tijani-moslims hebben meer rituelen rondom het gebed, ze respecteren Christenen en Joden, en vrouwen doen volledig en ongesluierd mee aan het economische, publieke en religieuze leven. Salafisten houden hun vrouwen binnen, verbieden de omgang met Christenen en Joden en alle rituelen waarvan de Koran of de profeet Mohammed niet rept. Er wordt gezegd dat slechts vijf procent van de moslims in Tsjaad salafistisch is. Maar harde cijfers zijn er niet en de zorg over hun invloed is het gesprek van de dag. De impact van de salafisten lijkt groter omdat ze relatief veel ruimte innemen in de stad: het zijn veelal mensen met geld, grote huizen en glimmende moskeeën.

Het beleid van de overheid ten aanzien van salafisten is tweeslachtig. Extreme prediking wordt de kop ingedrukt. Dat stelt de bevolking (50 procent christelijk en 50 procent islamitisch) gerust, die zich omringd ziet door de extremisten van Boko Haram, en door religieuze oorlogen in de Centraal Afrikaanse Republiek en Darfur. En het stelt internationale partners (Frankrijk, EU, VS) gerust die Tsjaad als partner beschouwen tegen extremisme en terrorisme. Maar de regering accepteert tegelijk dat de Golfstaten islamitische, Arabischtalige universiteiten volledig subsidiëren en jaarlijks honderden beurzen verstrekken voor studie in de Golfstaten.

Op de kubkub-conferentie stelden de organisatoren de vraag waarom Frankrijk juist zoveel ulama heeft vermoord. Een van de sprekers gaf het antwoord dat ze in gedachten hadden: „omdat Frankrijk de Arabische, Islamitische cultuur wilde vernietigen. En daarin was het bijna geslaagd. Want na de kubkub vluchtten andere geleerden naar Soedan en het niveau van onze kennis van de Islam is gekelderd. Het is hoog tijd dat het Frans als officiële taal wordt afgeschaft. En Frankrijk moet excuses aanbieden, de archieven teruggeven en schadeloosstelling betalen.” Uit de zaal klonk gejuich en applaus.

De nieuwe kolonisator

Andere moslims hebben geen probleem met de oude kolonisator, maar met de nieuwe: Saoedi-Arabië. Zij hopen dat Frankrijk zich in de politiek van Tsjaad blijft mengen en bescherming biedt tegen de invloed van salafisme en de dreiging van een ingrijpende verandering van hun maatschappij. Historici met die visie, allen met een Franstalige opleiding uit de tijd dat het nationale onderwijs nog functioneerde, besloten tijdens de conferentie in een ander gebouw hun eigen herdenking te houden. Hun conclusie: kubkub was een zwarte bladzijde in de geschiedenis die terecht is omgeslagen.

Dat vindt ook Mahamat Saleh Haroun, de minister van Toerisme – die de conferentie niet wilde betalen. Haroun, die als filmmaker veel in Frankrijk werkt, kent studies van de koloniale geschiedenis die in Tsjaad niet makkelijk te vinden zijn. Hij herinnert eraan dat de onthoofdingen in 1917 in opdracht van Gérard feitelijk zijn uitgevoerd door ‘tirailleurs’, West-Afrikaanse soldaten in koloniale dienst. En waarom zou je een moord door Afrikanen op Afrikanen nu moeten herdenken? Maar zijn echte bezwaar geldt historisch onderzoek met vooropgezette politieke bedoelingen.

Het gaat slecht met Tsjaad, dat op de Human Development Index van de Verenigde Naties gezakt is naar de 186e plaats, van in totaal 188 landen. Volgens Haroun is de kubkub-herdenking een poging om de ellende op de schouders van een buitenstaander te schuiven.

In Abéché zelf zou het kubkub drama ook herdacht worden. Maar de discussie over de manier waarop werd daar te gevoelig. Want in dezelfde periode kreeg een groep salafisten in Abéché van het bestuur toestemming los voor de bouw van een eigen moskee, achter de rug van het Islamitische Comité van Abeché om. Dat terugdraaien had prioriteit, herdenken moest later maar.