opinie

    • Maarten Schinkel

Financieel kunnen we makkelijk zonder gas

Dat de afhankelijkheid van gas zo sterk is teruggebracht tijdens lastige economische omstandigheden, is opmerkelijk. Het wijst erop dat we met weinig moeite ook zonder die laatste gasbaten kunnen, schrijft Maarten Schinkel.

Dichtdraaien die gaskraan, dat is de overheersende reactie in de samenleving na de nieuwe aardbeving maandag in Groningen. Maar wat betekent het financieel? Gas heeft een bijzondere rol in de geschiedenis van de laatste halve eeuw. Op basis van de aardgasbaten werd vanaf de jaren zestig onze verzorgingsstaat opgebouwd.

Nu kostte gas (en olie) destijds weinig, tot de olieproducenten in het Midden-Oosten begin jaren zeventig een forse prijsverhoging afdwongen. Daarna ging het hard. De inkomsten uit gas bedroegen in 1969 nog 0,9 procent van de inkomsten van de overheid. In de nadagen van het kabinet-Den Uyl, in 1975 en 1976 was dat al rond de 6 procent. Hier begon de beruchte Dutch disease: de baten die de overheid in de schoot vielen zorgden voor een verdringing van normale economische activiteit, inzakkende productiviteit en afhankelijkheid van grondstoffeninkomsten. In een minder goed bestuurd land zou daar corruptie bij mogen worden opgeteld, zoals in veel grondstoffenlanden normaal is als de staat (en zijn dienaren) de vruchten van de bodem verdelen.

De gasbaten piekten in 1985, toen Nederland door zijn reuzen-begrotingstekorten al bijna niet op de kapitaalmarkt terecht kon, op 10,3 procent. Een daling volgde, zeker toen de prijs van olie (en gas) gestaag daalden richting de eeuwwisseling. In 1999 waren de gasbaten nog maar 1,5 procent van de inkomsten, maar een prijspiek zorgde in 2013 toch nog voor een percentage van 5,4 procent.

Dat percentage is, nu de winning al met 60 procent is teruggebracht tot zo’n 20 miljard kubieke meter, geslonken tot nog maar 0,9 in 2016. Evenveel als in 1969.

Dat de afhankelijkheid van gas zo sterk is teruggebracht tijdens zulke lastige economische omstandigheden, is opmerkelijk. Het wijst erop dat we met weinig moeite ook zonder die laatste, kleine, gasbaten kunnen. Zeker als het kabinet-Rutte III de afschaffing van de dividendbelasting (kosten: 1,4 miljard) niet doorzet. Mocht de premier op zoek zijn naar een manier om dat zonder gezichtsverlies te kunnen doen, dan krijgt hij die nu op een presenteerblaadje aangeboden.

Daarmee komt een lange reis ten einde. Rond 1980 bedroegen de overheidsuitgaven in Nederland zo’n 60 procent van de omvang van de economie (het bbp), volgens de toenmalige opgave van de OESO. Dat werd daarna fors teruggebracht. Aanvankelijk omdat het onhoudbaar was, daarna in de jaren negentig omdat het onwenselijk werd geacht: de staat moest een kleinere rol gaan spelen. Rond 2000 was het aandeel van de staat in de samenleving nog maar een kleine 42 procent. Daar zijn we nu, na de een flinke stijging tijdens de financiële crisis, weer naar op weg.

Blijft, nu het hoofdstuk ‘gas’ wordt afgesloten, de vraag of we niet beter zoals Noorwegen de opbrengsten in een groot fonds hadden kunnen storten. Er kwam pas in 1994, tot 2010, een Fonds voor Economische Structuurversterking (het FES) waarin 40 procent van de gasbaten terecht kwam. Maar dat was een vorm van optisch bedrog. Het FES deed infrastructurele uitgaven die sowieso zouden worden gedaan.

Het grootste deel van de gasbaten is, zoals dat in de Tweede Kamer heette, ‘verjubeld’. Dat is niet erg Noors. Maar bedenk dat Nederland grote pensioenfondsen heeft. De rol van de overheid in de samenleving is sterk teruggedrongen. En het terugbrengen van de staatsschuld, zoals nu wederom gebeurt, is ook een soort van omgekeerd sparen. Het bereidt, net als zo’n Noors fonds, voor op een toekomst die even ongewis is als de timing van de volgende Groningse beving. Beter laat, dan nooit.

Marike Stellinga is afwezig.
    • Maarten Schinkel