Eerst was er de vlinder, toen de bloem

Evolutie De vondst van fossielen van vlinders van 200 miljoen jaar oud toont dat de dieren hun zuigsnuit al hadden voordat er nectar was.

De variabele purpermot (Eriocrania semipurpurella) is een in Nederland voorkomend voorjaarsmotje dat afstamt van de dieren in 200 miljoen jaar oude fossielen. M. Virtala/WIKI

Vlinders en bloemen lijken voor elkaar gemaakt. Een vlinder die met zijn lange roltong nectar opzuigt bevordert tegelijkertijd de bestuiving van de bloem. Aan zijn harige lijf kleeft stuifmeel dat in een volgende bloem op een kleverige bloemstamper achterblijft. Het is ideale ruilhandel.

Lang dachten biologen dat de vlindertong een evolutionaire reactie was op de bloemplanten. Maar dat zuigmechanisme onstond al veel eerder. Dat leidt een team van Nederlandse en Duitse biogeologen af uit de vondst van ongeveer 200 miljoen jaar oude vlindervleugelschubben. Ze vonden er 70 in een boorkern, schrijven ze in een woensdag verschenen artikel in Science Advances. De gevonden schubben lijken sterk op die van (nog levende) primitieve vlinderfamilies en daarom kan de snuitvorm eruit worden afgeleid. Met de vondst is het oudste vlinderfossiel opeens 70 miljoen jaar ouder.

Vlinders zijn zo fragiel dat ze zelden in hun geheel fossiliseren. Maar de schubben op hun poten, lijf en vleugels bestaan uit chitine, een stevige, hoornachtige stof. Die kunnen goed als losse fragmentjes in de bodem bewaard blijven.

Zes van de 70 gevonden fossiele vlinderschubben. Foto Science Advances

De gevonden schubben zijn onder te verdelen in twee typen. Schubben van het eerste type zijn ‘massief’ en voorzien van een heel subtiel visgraatpatroon. Dergelijke schubben zijn kenmerkend voor primitieve nachtvlinderfamilies met kaken (waarmee ze bijvoorbeeld stuifmeelkorrels en stukjes blad aten) en zonder zuigsnuit. Schubben van het tweede type zijn hol van binnen, en komen alleen voor bij dag- en nachtvlinders met een zogeheten proboscis, wat ‘verlengde snuit’ betekent. Die vlindersnuit – de roltong – is geschikt om nectar mee te drinken, maar de eerste bloemplanten met nectar ontstonden pas in het Krijt (145 tot 66 miljoen jaar geleden).

De onderzoekers vermoeden dat de vlinders hun tong eerder ontwikkelden als reactie op een droge, hete periode aan het eind van het Trias. Zeker vanwege hun relatief grote lichaamsoppervlak verloren de primitieve vlinders snel vocht. Een zuigsnuit is dan handig om snel water op te zuigen, bijvoorbeeld van bladeren.

Ook gebruikten de vlinders hun snuit vermoedelijk om suikerrijke vloeistoffen te halen bij de naaktzadigen, een destijds wijdverspreide plantengroep waartoe coniferen en ginkgo’s behoren. Naaktzadigen hebben geen nectar, maar wel pollinatiedruppels: zoete, plakkerige druppels vocht. „Natuurlijk is aan de schubben nog niet direct de lengte van de vlindersnuit af te leiden. Waarschijnlijk hadden de vlinders eerst nog geen lange roltong, maar een kortere tong of zuigwerktuig zoals sommige primitieve motten ook vandaag nog hebben”, vertelt Bas van de Schootbrugge, paleobioloog bij de Universiteit Utrecht en betrokken onderzoeker aan de telefoon. „Voor die pollinatiedruppels was geen lange tong nodig. Sowieso leken de vlinders nog niet zo op onze huidige soorten. Ze waren bijvoorbeeld grauwer. De kleurrijke vlinders van nu bestaan pas zo’n 50 miljoen jaar.”

De naaktzadigen profiteerden overigens niet van die vlinderbezoekjes. Van de Schootbrugge: „Die pollinatiedruppels waren – en zijn nog altijd – bedoeld om door de wind verspreid stuifmeel op te vangen. De naaktzadigen waren nog helemaal niet ingesteld op insectenbestuiving.”

    • Gemma Venhuizen