Recensie

De magie van Murakami is nog niet weg

Haruki Murakami

De oude meester eist lenigheid van zijn lezers en verwerft die moeiteloos. Met enig voorbehoud.

Illustratie Paul van der Steen

Wanneer een oude meester een groot nieuw werk presenteert, betrap ik me vaak op zowel opwinding als bezorgdheid. Zal hij of zij het nog kunnen, of is de zeggingskracht en de pure artistieke lenigheid tanende? Bij de Japanse literaire wereldster Haruki Murakami, die dezer dagen 69 wordt, is die vraag gerechtvaardigd na mindere romans als het oeverloze 1Q84 (2009) en het matte De kleurloze Tsukuru Tazaki en zijn pelgrimsjaren (2013), werk dat niet in de schaduw kan staan van De opwindvogelkronieken (1994) en Kafka op het strand (2002).

Eigenlijk zou de bezorgdheid evengoed mijzelf moeten betreffen. Murakami vraagt namelijk nogal wat lenigheid van zijn lezers, niet met zijn stijl, die eenvoudig en afgemeten is, maar door een willing suspension of disbelief te eisen die steeds moet worden opgebracht. In werk van Murakami doen zich altijd vrij terloops lastig te verklaren, metafysische en associatieve zaken voor die de wereld bij de naden doet rafelen. Rafelt die wereld in de ogen van de lezer zozeer dat hij met de ogen begint te rollen, dan is het een verloren zaak.

Spoiler: na het lezen van De moord op Commendatore, dat over twee banden verdeeld ruim 1000 pagina’s telt, kan ik melden dat zowel schrijver als lezer het goed maken. Met enig voorbehoud.

Portret van mezelf

De moord op Commendatore is het verhaal van een commerciële portretschilder die, na door zijn vrouw in de steek te zijn gelaten, op zoek moet naar een nieuw equilibrium, als mens en als schilder. ‘Terwijl ik naar [mijn] spiegelbeeld keek’, vertelt hij, ‘kreeg ik het idee een portret van mezelf te schilderen. Stel dat ik dat deed, wat voor iemand zou ik dan schilderen? Zou ik ook maar een spatje genegenheid voor mezelf kunnen opbrengen? Zou ik in mezelf ook maar íéts weten te vinden wat glanst?’ Hij belandt als huisbewaarder op de berg waar de inmiddels in een verzorgingstehuis opgenomen schilder Tomohiko Amada woonde en werkte. Al snel raakt de naamloze verteller verstrikt in het leven van zijn buren: de curieuze, uiterst precieze rijkaard Menshiki en Marie, het dertienjarige meisje dat aan de andere kant van het dal woont, en dat mogelijk Menshiki’s dochter is. Beiden zullen in de loop van het verhaal zitten voor een portret door de verteller, die zichzelf als kunstenaar opnieuw aan het uitvinden is, een proces dat door Murakami op intrigerende wijze wordt uitgediept.

Sowieso spelen schilderijen een essentiële rol. Bovenal een schilderij dat de oude Amada op zolder blijkt te hebben verstopt: De moord op Commendatore. Het betreft een scène uit de opera Don Giovanni – een jongeman steekt Commendatore dood onder toeziend oog van de verschrikte Donna Anna en van een man met een langwerpig gezicht die schielijk door een luik in de wereld toekijkt. Het doek is echter gesitueerd in Japan, in de Asukaperiode, die van de zesde tot de achtste eeuw liep, en geschilderd in de traditionele stijl die Amada zich na de oorlog had aangemeten; een oorlog waarin hij in Wenen naar het schijnt betrokken raakte bij een verzetsgroep.

Tot zover nog niks metafysisch. Maar wanneer de verteller een mysterieuze bel vindt in een oude grafkelder in het bos – een bel die ’s nachts klingelt, al is de kelder leeg – blijkt hij een vreemd wezen te hebben bevrijd: een zestig centimeter hoog mannetje dat zich Commendatore noemt en dat zo van het schilderij van Amada lijkt te zijn gestapt. Commendatore is een Idea, refererend aan Plato’s ideeënleer, waarin een idea een tijdloze, onveranderlijke gestalte is, contrasterend met de vergankelijke voorwerpen in de fysieke wereld. ‘Het superieure punt van een Idea’, zegt Commendatore, ‘is dat hij in oorsprong geen vorm heeft. Een Idea ontstaat pas door de erkenning van een ander en hij eigent zich dienovereenkomstig een vorm toe. Die vorm is natuurlijk uitsluitend iets wat geleend is uit praktische overwegingen.’ Als een soort bovennatuurlijke gids verschijnt dit wezen zo nu en dan om vingerwijzingen te geven.

Murakami zet dit alles in de grondverf met de dieselgang van de langeafstandsloper die hij is. Hoe de zaken samenhangen, wordt onthuld op een tempo en een toon die helpen het brein mee te laten buigen met het ogenschijnlijk onbestaanbare.

Luister ook naar onze podcast NRC Kunst!, waarin boekenredacteur Thomas de Veen de nieuwste Murakami bespreekt:

Blik op zijn methode

En zo is dit boek een klassieke Murakami, met bekende elementen, die bij mij geregeld De opwindvogelkronieken in gedachten riepen: de ankerloze man alleen; een universum van gesplitste werkelijkheden; een bijna metafysisch kwaad; een wijs jong meisje; een oorlogsgeschiedenis die in het heden doorwerkt. Maar de verrassende keuze om van de verteller een schilder te maken, zorgt toch voor een heel ander soort boek. De suggestieve kracht van beelden kan maximaal worden benut, en de visuele ingesteldheid van de verteller – en diens sterke visuele geheugen – bieden Murakami nieuwe mogelijkheden. Zelf wordt de verteller zich bewust van het belang van het vrije werk dat hij aan het maken is. Boekstaaft hij een verhaal door deze schilderijen te maken? ‘Die indruk had ik,’ zegt hij. ‘Zou mij een dergelijke rol, ofwel bevoegdheid, als boekstaver door iemand zijn toebedeeld? En als dat het was, wie zou dat dan zijn? En waarom had hij mij uitgekozen als boekstaver?’

En toch, hoeveel genoegen De moord op Commendatore me ook bezorgde, ik moest me over enkele hebbelijkheden van Murakami heen zetten die pregnanter en irritanter beginnen te worden. De gewoonte zaken te herhalen, alsof de lezer het geheugen van korstmos heeft. De bijna autistische, terugkerende beschrijvingen van kleding en maaltijden. De opzichtige inzet van cliffhangers. De stapeling van korte zinnetjes. Die vaak samengestelde zinnen betreffen waar punten in plaats van komma’s in zijn geplaatst. Alsof we ze anders niet kunnen verhapstukken.

En wat te zeggen van the willing suspension of disbelief? In een nu al beruchte kraakrecensie in The Japan Times werd gesteld dat de magie van Murakami was uitgewerkt, en dat gevoel bekroop met tegen het eind van het boek kortstondig. Zonder te veel te willen weggeven, is er sprake van een ‘andere’ wereld, waarin Metaforen huizen. ‘Misschien’, suggereert de verteller, ‘kreeg in deze associatieve wereld alles vorm volgens de acties ik ondernam.’ Het voelde alsof Murakami hier te expliciet een blik toestaat op zijn methode, die maar het best in nevelen gehuld kan blijven, zoals bij illusionisten. Maar tegen die tijd had het boek al zijn verslavende werk gedaan, zodat de kras in de plaat snel was overwonnen.

De moord op Commendatore kan de vergelijking met Murakami’s beste romans niet doorstaan, maar The Japan Times was te streng. En dus ben en blijf ik benieuwd naar wat Murakami, als steeds oudere meester, de wereld te bieden heeft.

    • Auke Hulst