Opinie

    • Michel Krielaars

De halvegaren van Harry Heine

Michel Krielaars

Voor het geboortehuis van Heinrich Heine in de Bolkersstraat in Düsseldorf vraag ik me af waar de ironie in de literatuur is gebleven. In Duitsland zelf lijkt die sinds de dood van Joseph Roth, Kurt Tucholsky, Bertolt Brecht en Thomas Mann ver te zoeken. In Nederland vind je dit subtiele wapen hoogstens nog bij Arnon Grunberg of P.F. Thomése.

Heine (1797-1856) was een grootmeester in dat genre van de vermakelijke dubbelzinnigheid. Neem alleen al zijn beschrijving van het provinciale universiteitstadje Göttingen met zijn zelfingenomen professoren in Die Harzreise: ‘In het algemeen worden de inwoners van Göttingen onderverdeeld in studenten, professoren, filisters en vee; vier standen die als weinig andere onderling streng gescheiden zijn. De veestand staat het hoogst in aanzien.’

Zoals Heine met die veestand de academische gewichtigdoenerij ridiculiseert, neemt hij in zijn werk allerlei idioten en halvegaren op de hak die zichzelf te serieus nemen. Reken maar dat hij de spot zou hebben gedreven met de in pidgin English gegeven colleges aan Nederlandse universiteiten. Waarschijnlijk had hij dan ook zijn hoed afgenomen voor de dichter Jean Pierre Rawie, die onlangs weigerde om aan de Rijksuniversiteit Groningen, ons eigen Göttingen, een lezing over zijn poëzie in het Engels te houden.

In de 19de eeuw viel Heine als geen ander op met zijn frisse, persoonlijke taal, waarmee hij het banale met het verhevene verenigde. Daarnaast stak hij de draak met zowel de romantiek als met de groten van zijn tijd. En ook de gezeten burgerij en het slaafse gewone volk konden rekenen op zijn spotzucht.

Heine, die socialistische en revolutionaire sympathieën koesterde, was evenmin bang om de adel, de kerk en de Pruisische staat te bekritiseren. In Parijse ballingschap gooide hij daar nog een schepje bovenop, wat hem in eigen land een publicatieverbod opleverde. Tot in de 20ste eeuw werd hij gehaat door Duitse nationalisten, met de nazi’s aan het einde van de rij. De ironie van het lot wil nu dat juist van hem de profetische uitspraak ‘Dort wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen’ is.

Op de benedenverdieping van Heines geboortehuis is sinds 1990 boekhandel Müller & Böhm gevestigd. Daarvoor was er een biertapperij. Ik loop er naar binnen en bewonder de meterslange kasten, waarin de hele wereldliteratuur is uitgestald. Daar waar vroeger het achterhuis met Heines wieg stond, bevindt zich nu een literair café, waar de groten uit de Duitstalige literatuur en Cees Nooteboom uit hun werk mogen voorlezen.

Om iets meer over Heines leven te weten te komen ga ik naar het Heinrich-Heine-Institut in de nabijgelegen Bilkerstraat. Daar wordt Heinrich Heine ineens Harry Heine, want zo heette hij voordat hij zich in 1825, in de hoop op een hoogleraarsaanstelling in de rechten in München, afstand deed van het jodendom en zich liet dopen. Twee jaar later, in augustus 1827, bracht hij driekwart dag in Leiden door, waar hij genoot van bokking en blonde vrouwen. De gelijknamige held uit zijn Memoiren des Herrn von Schnabelewopski studeert er theologie bij professor Van der Pissen, kenner van het Hooglied van Salomo, die met zijn aap, zijn poedel en zijn moriaan schijngevechten houdt. Behalve Groningen blijkt ook Leiden ineens een soort Göttingen te zijn.

    • Michel Krielaars