Recensie

De ‘gewone’ Brit eerst

Brexit

De Brexit is het gevolg van de toegenomen kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Zo meent David Goodhart in een boek over de ‘gewone’ Brit.

De tegenstellingen tussen beide kampen in de Brexit-discussie is niet zo zwart-wit als wordt gedacht Foto REUTERS/Neil Hall SEARCH

David Goodhart zag de Brexit niet aankomen. Terwijl hij toch al langer een kloof in de Britse samenleving ontwaarde en aan een boek werkte om te waarschuwen voor een backlash: een in zijn ogen onvermijdelijke reactie op de politieke en maatschappelijke status quo van de afgelopen decennia, waarin progressieve sociale en neoliberale economische opvattingen domineerden. Met Brexit en daarna de verkiezing van Donald Trump is die er gekomen. Het populistische tijdperk, schrijft Goodhart, is in 2016 volwassen geworden.

De belangrijkste politieke kwesties zijn nu sociaal-cultureel van aard. De Brexit-stem had volgens Goodhart niet alléén met immigratie te maken: de voornaamste reden voor de beslissing van Groot-Brittannië om de EU te verlaten, is ‘het kolkende ongenoegen van een groot deel van de publieke opinie’ over immigratie en het antwoord erop van de politieke klasse.

PvdA-denkers

Wie zijn de Brexit-stemmers? En breder, hoe moeten we het succes van populisten in heel Europa verklaren? Dat zijn de vragen die Goodhart, geestverwant van PvdA-denker Paul Scheffer, in zijn boek The Road to Somewhere. The Populist Revolt and the Future of Politics behandelt.

Niet langer links versus rechts is de bepalende tegenstelling, maar ‘open’ versus ‘gesloten’, klinkt het de laatste tijd vaak. Maar het indelen van het politieke landschap in verschillende kampen en het plakken van etiketten op voor- en tegenstanders is nooit neutraal. De termen open en gesloten komen van de open-kant; iemand die als aanhanger van een ‘gesloten’ samenleving wordt bestempeld, verkiest volgens Goodhart wellicht een versie van ‘open’ die hem of haar niet benadeelt. Wie bijvoorbeeld tegen internationale handelsakkoorden is, wil nog niet direct de grenzen potdicht.

Zo is ook de Nederlandse tegenstelling tussen ‘Randstad’ en ‘provincie’ vooral karikaturaal – grappig op Twitter, maar niet erg bruikbaar. Bij Goodhart ligt de lat hoger. Hij constateert onder Brexit-stemmers een sterke correlatie tussen opleiding en stemgedrag: tweederde van de hoger opgeleiden koos voor ‘blijven’. Dat is voor hem de bevestiging dat onderwijs, samen met ‘mobiliteit’, bepalend is voor een kloof in de Britse samenleving. Dat komt overeen met bevindingen in Nederland van SCP en WRR, onder de titel Gescheiden werelden? (uit 2014).

Wat is dan die kloof? Goodhart maakt onderscheid tussen het wereldbeeld van mensen die de samenleving vanuit ‘maakt niet uit waar’ (anywhere) beschouwen, en het perspectief van de mensen die de wereld vanuit ‘een vaste, bepaalde plaats’ (somewhere) bekijken. Anywheres, die je ‘ongebondenen’ zou kunnen noemen, hangen een progressief individualisme aan en waarderen autonomie en zelfontplooiing. Zij voelen zich niet ongemakkelijk bij Europese samenwerking of immigratie.

Daartegenover staan de somewheres, ‘gewortelden’, die sociaal conservatiever of communitaristischer zijn, aan hun groepsidentiteit en de gemeenschap hechten, en minder op hebben met de prestatiemaatschappij en immigratie. Bovendien zijn de ongebondenen vaker hoger opgeleid en verhuizen zij voor opleiding of werk. De gewortelden wonen dichter bij de plek waar ze zijn geboren, zijn doorgaans lager opgeleid, en hebben meer moeite met veranderingen.

Goodhart baseert zijn inzichten op onuitputtelijke voorraden enquêteonderzoek naar opvattingen en waarden. Maar er is wel wat af te dingen op het identificeren van groepen mensen aan de hand van wereldbeelden. Goodhart schrijft zelf terecht dat er niet daadwerkelijk een kamp van ongebondenen tegenover een kamp van gewortelden staat. ‘Natuurlijk, weinigen van ons behoren compleet tot een van beide groepen’, schrijft Goodhart. ‘Anywhere’ en ‘somewhere’ zijn etiketten voor clusters van waarden die gradueel zijn, in meer of mindere maten bij je passen. Je kunt in sommige opvattingen progressief, en in andere conservatief zijn. Ook is er geen een-op-een-verband tussen in de stad wonen of hoger opgeleid zijn en progressieve opvattingen hebben.

Te ruw en te vaag

Toch stelt Goodhart vervolgens dat de ongebondenen een groep van ongeveer vijfentwintig procent van de samenleving vormen, en de gewortelden een groep van vijftig procent – en dan is er ook nog een restgroep van vijfentwintig procent van mensen ‘ertussenin’ (inbetweeners). Daar is zijn schets van een kloof in de samenleving te ruw én te vaag.

In zijn boek maakt Goodhart duidelijk wat het wereldbeeld van de ‘gewone’ Britten is. Maar hij gaat nauwelijks in op de inhoud van die opvattingen. Hij weegt niet af hoe (on)rechtvaardig die zijn in de praktijk. En ook hoe mensen aan hun opvattingen komen, hoe percepties zich verspreiden, wat de rol van (populistische) politici en media daarin is, blijft onderbelicht.

Goodhart wil de ongebonden, progressieve bovenlaag ervan overtuigen toenadering te zoeken tot de grote groep meer gewortelde mensen. Maar daarvoor zal hij uit een ander, normatiever vaatje moeten tappen.

    • Arnold de Groot