De Zweedse geneticus Svante Pääbo (62) met reconstructie van een Neanderthalerschedel.

De Zweedse kraker van de menselijke evolutie

Genetica Als eerste haalde Svante Pääbo DNA uit een Neanderthaler-bot. Nu mikt hij op botten van een miljoen jaar oud. ‘We betrappen de evolutie op heterdaad.’

De carrière van geneticus Svante Pääbo (1955) begon in het geheim. Begin jaren 80 gebruikte hij als promovendus stiekem de oven van het lab om kalfslevers te drogen. Pääbo wilde weten of DNA-moleculen uitdroging zouden overleven. Zijn droom was om ooit DNA uit een Egyptische mummie te isoleren. In 1985 leek dat gelukt: Pääbo publiceerde de DNA-sequentie van een mummie-kind in Nature. Het was de eerste gepubliceerde archeologische DNA-sequentie.

Pääbo raakte gefascineerd door mummies en farao’s na een vakantie in Egypte met zijn moeder. Pääbo is kind van wetenschappers: zijn vader was de Zweedse Nobelprijswinnaar en arts Sune Bergström, zijn moeder de Estse voedselwetenschapper Karin Pääbo.

Pääbo denkt nu dat die mummie-sequentie niet van een oude Egyptenaar kwam. Misschien was het DNA wel van een jonge Zweed: de kans bestaat dat Pääbo zijn éigen DNA heeft vermeerderd.

Pääbo spreekt vrijuit over die dwaling van lang geleden. Voor zijn carrière hoeft hij niet te vrezen: Pääbo is gelauwerd evolutionair geneticus en geldt als grondlegger van zijn vakgebied. Zijn lab, gevestigd in het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig, loopt voorop in de ontwikkeling van nieuwe technieken om archeologisch DNA te reconstrueren.

Onlangs gaf Pääbo de openingslezing van een congres over menselijke evolutie in Groot-Brittannië. Pääbo wil zo veel mogelijk lezingen van zijn collega’s bijwonen, maar in de lunchpauze heeft hij wel even tijd voor een interview.

Pääbo is een lange man. Té lang voor de deftige fauteuils van het Britse landhuis Hinxton Hall. Pääbo probeert zich op te vouwen, geeft op en laat zijn benen over de leuning bungelen.

Uw student Mateja Hajdinjak liet vanochtend zien hoe ze DNA heeft geïsoleerd uit Neanderthaler-botten die al in de negentiende eeuw zijn opgegraven. Dat was eerder nog niet mogelijk?

„Het probleem met zulke botten is dat het endogene Neanderthaler-DNA sterk verontreinigd is met DNA van bacteriën en mensen die de botten hebben aangeraakt. Mateja liet zien dat als we het bottengruis behandelen met bleek we die verontreiniging sterk kunnen verminderen.”

Maar bleek is toch een agressief goedje? Gaat het Neanderthaler-DNA dan niet verloren?

„Onze gedachte was dat het Neanderthaler-DNA beter beschermd is in de hydroxy-apatietkristallen van het bot dan het overige DNA. Dus vóórdat we de botkristallen oplossen en het DNA daaruit bevrijden, oxideren we het DNA dat zich buiten de kristallen bevindt met bleek.”

De ‘clean room’ in het lab van Svante Pääbo waar DNA uit duizenden jaren oude botten wordt geïsoleerd. De UV-lampen gaan elke avond aan om rondzwevend DNA te vernietigen. Foto Frank Vinken

En zo elimineer je...

„Verminderen. Je moet verminderen zeggen.”

... terwijl het DNA van Neanderthalers beschermd is ...

„Méér beschermd. Het gaat om verhoudingen. Dit soort dingen zijn nooit absoluut.”

U blijft technieken verbeteren. Waar zijn we over tien jaar?

„We kunnen DNA uit steeds oudere monsters halen, of uit omgevingen waarin DNA sneller vergaat. We duwen de grenzen steeds verder terug.”

In uw lezing sprak u de hoop uit dat het ooit zal lukken DNA te isoleren uit botten van een miljoen jaar oud.

„Tien jaar geleden zei ik dat 100.000 jaar de grens was. Die grens hebben we bereikt, dus dat heb ik nu vertienvoudigd, naar een miljoen.”

Dat is ambitieus.

„Ik denk dat het kan. En ik laat me natuurlijk graag verrassen als blijkt dat we nóg ouder DNA kunnen vinden.”

Voelt u zich meer techneut of prehistoricus?

„Dat komt samen. Wat me nu vooral fascineert, is de vraag wat moderne mensen zo bijzonder maakt. Wat is er in de lijn van moderne mensen gebeurd sinds we van Neanderthalers zijn afgesplitst? Welke genetische veranderingen zijn uniek voor de mens?”

Genetici hebben eerder geprobeerd uniek menselijke mutaties te vinden door het genoom van mensen met chimpansees te vergelijken. Dat leverde toen niet veel op. Waarom gaat het met Neanderthalers wel lukken?

„Men had geld nodig om het chimpansee-genoom te sequencen, dus toen kwamen ze met het argument dat we zouden begrijpen wat mensen uniek maakt. Maar tussen chimpansees en mensen bestaan tien miljoen genetische verschillen. Dat is een heleboel. Neanderthalers staan een stuk dichter bij de moderne mens, gemiddeld zijn er maar zo’n 30.000 verschillen. Nog steeds te veel om ze allemaal te bestuderen, maar we hebben een veel betere kans om wat te vinden.”

Uw onderzoek heeft onthuld dat er naast moderne mensen en Neanderthalers, nog een derde mensachtige bestond: de Denisoviër. Niet iedereen accepteert dat de Denisoviërs een eigen soort of populatie ..

„Maar wel bijna iedereen.”

Okee, bijna iedereen. Maar waarom was u zo terughoudend om de Denisoviër tot nieuwe soort uit te roepen?

„Ik vermijd het debat over wat een soort is en wat een ondersoort. Zijn Neanderthalers een andere soort mens? Ik heb daar geen mening over.”

U bent soort-agnost?

„Er is gewoon geen goed antwoord. Het hangt allemaal af van je definitie van een soort. En er is geen enkele definitie die universeel geldt voor alle zoogdieren. Taxonomie is een steriele, academische hobby.”

Maar biologen en paleontologen kunnen erg opgewonden raken over wie nou wel een soort vormen en wie niet.

„Dat is nog een goede reden om me er niet mee te bemoeien! Je kunt zeggen dat twee dieren die vruchtbare nakomelingen krijgen tot dezelfde soort behoren, maar dan moet je ook concluderen dat ijsberen en grizzlyberen één soort zijn. Maar dan zeggen mensen: ze zien er zo anders uit, ze zijn aangepast aan een andere omgeving. En ik ken niemand die zegt dat ijsberen niet uitsterven omdat er nog genoeg grizzly’s zijn.”

Wat ik wilde vragen: ziet u het als validering van uw vakgebied, dat zelfs sommige paleontologen nu het bestaan van Denisoviërs accepteren?

„Dat is geweldig, om iedereen er over te horen praten.”

Denkt u dat archeologisch DNA meer over de mens kan onthullen dan bijvoorbeeld archeologie?

„Archeologen bestuderen cultuur, en onze culturele geschiedenis is heel anders dan onze genetische. Als ik een Griekse tempel bezoek kan ik me verbonden voelen met de geschiedenis en ideeën over democratie, terwijl ik zeker weet dat mijn suffe chromosomen niet uit Griekenland komen. Die culturele geschiedenis is emotioneel belangrijker voor mij.”

U voelt geen connectie als u de DNA-sequentie van een Neanderthaler bestudeert?

„Nee. Ik voel me meer verbonden met het oude Griekenland dan met de koude, Siberische toendra waar mijn voorouders misschien leefden.”

U bent ooit in het ziekenhuis opgenomen met een longembolie. Na de embolie ontdekte u dat uw vader Sune Bergström betrokken was bij de ontwikkeling van heparine, het middel waar u mee behandeld werd.

„Ja, ik was geroerd door die toevalligheid. Na de embolie dook ik de literatuur in en kwam ik erachter dat mijn vader een grote rol speelde in het onderzoek naar heparine. Bloedstolsels worden nog steeds hetzelfde behandeld als toen ik geneeskunde studeerde.

„Ik heb nooit een nauwe band met mijn vader gehad. Hij had een buitenechtelijke relatie met mijn moeder en ik was zijn geheime kind. Vroeger zag ik hem alleen op zaterdagen.”

Heeft de embolie uw perspectief op het leven of uw werk veranderd?

„Een embolie is acuut, ik had een sterk gevoel van ‘niet doodgaan nu’. Maar een ziekte als kanker lijkt me existentieel veel uitdagender. Ik zou eerder zeggen dat mijn perspectief verandert doordat ik ouder word.”

Is ouder worden een belangrijke drijfveer om zaken af te ronden of uit te zoeken?

„Ja, er zijn nog wel een paar dingen die ik wil doen voordat ik met pensioen ga of dood ga. Maar ik voel me ook bevoorrecht. Het is een mooie rit geweest. En ik ben blij dat ik een oude vader ben met jonge kinderen [12 en 5, red.]. Ik kan hele weekenden thuis zijn. Ik hoef me geen zorgen meer te maken over mijn carrière. Als ik 35 was geweest, had ik me druk moeten maken over financiering.”

Medewerker uit het laboratorium van Svante Pääbo bekijkt stukje oud bot. Foto Frank Vinken

Iedereen wil hier met u praten. Voelt u zich peetvader van dit vakgebied?

„Het is prachtig om te zien hoe het hele veld is opgebloeid. In de jaren 80 riepen we dat we terug in de tijd zouden gaan, dat we evolutie op heterdaad zouden betrappen. En dat is allemaal bewaarheid. Het duurde misschien veel langer dan ik had gedacht. Maar het ís bewaarheid.”

De tijd is bijna om, maar we hebben nog niet over Neanderthalerseks gepraat.

„Heel verfrissend. Iedereen wil het daar altijd maar over hebben.”

Wat zegt dát over de menselijke aard?

„Wij mensen zijn geobsedeerd met seks. Het gegeven dat onze voorouders seks hadden met Neanderthalers is onderdeel geworden van onze fascinatie voor Neanderthalers.”