Column

Hoe het narratief over de economie omslaat

Goudlokje is terug. Wie de vooruitzichten voor de economie doorploegt, of dat nu voor China is, Singapore, Australië, de VS of Europa, komt haar keer op keer tegen. Goudlokje wilde, zoals het sprookje gaat, haar pap ‘niet te warm, niet te koud, maar precies goed’.

In de jaren negentig werd het sprookje synoniem voor de economische toestand: gezonde groei bij een getemde inflatie. Precies goed, dus. Dat bleek niet helemaal te kloppen. De inflatie liep wel degelijk uit de hand. Alleen was het niet een inflatie van goederen en diensten, maar van activa: huizen, aandelen, enzovoort.

Dat herhaalde zich in de aanloop naar de financiële crisis van 2007 en 2008. De koersen van krediet gingen veel te hard omhoog (of, andersom bekeken, rente en voorwaarden werden veel te vriendelijk), en die van vastgoed ook. Er is destijds meermalen gesuggereerd dat centrale banken naast gewone inflatie ook de prijsontwikkeling van activa in de gaten moeten houden. Daar willen ze eigenlijk nog steeds niet aan. Centrale banken, zo heet het, zijn er niet om zeepbellen door te prikken. Ze zijn er om de schade van een geknapte bel te verzachten.

Intussen genoot Goudlokje al tweemaal van haar precies goede pap, om even zoveel keren haar mond te branden aan de kop gloeiend hete thee daarnaast. Maar klaarblijkelijk is ze terug. Is het ditmaal anders? En moeten centrale banken nu maar beter toch iets eerder ingrijpen?

Dat ligt aan de diagnose van de economische fase waar we nu in zitten. Nu de economie zo uitbundig groeit, verandert ook het bijbehorende narrative. Eerst was er het ‘nieuwe normaal’, dat werd gemunt door Mohamed El-Erian, tegenwoordig de chef-econoom van Allianz. Lage groei en lage inflatie zouden ons lange tijd teisteren. Daarna wekte de Amerikaanse econoom Larry Summers de oude theorie van ‘structurele stagnatie’ weer tot leven. Met ongeveer dezelfde uitkomst.

Misschien is het trauma van de financiële crisis nog te vers om weer in een gouden toekomst te durven geloven

Nu het herstel van de economie in het Westen doorzet en leidt tot groeicijfers die, zeker in Europa, twee jaar geleden nog voor onmogelijk werden gehouden, verandert de lezing weer. Het optimisme grijpt om zich heen. Maar het blijft opletten geblazen. Het zal niet de eerste maal zijn dat de stijgende koersen op de aandelenbeurzen een verhaal op zichzelf worden.

Denk terug aan de ‘Nieuwe Economie’ van eind jaren negentig. De hoge beurskoersen van destijds konden alleen gerechtvaardigd worden door de verwachting dat de bedrijfswinsten kennelijk meer en langduriger zouden stijgen dan voorheen werd gedacht. En die sterkere en langduriger stijgende bedrijfswinsten konden zich alleen voordoen als er een stabiele periode van hoge economische groei voor de deur stond. Het was een schoolvoorbeeld van wat IMF-topeconoom Kenneth Rogoff later als titel voor zijn standaardwerk over financiële crises zou gebruiken: This time is different.

De kans bestaat nu dat we, op basis van het optimisme op de beurzen, langzamerhand in eenzelfde narrative worden getrokken. Misschien is het ook wel waar, misschien niet. Maar intussen gooide de Wereldbank deze week olie op de golven: de economische groei in 2018 wordt zo’n beetje het hoogst haalbare, zei de instelling in zijn prognose voor het komende jaar. De lage productiviteitsgroei en de problematische groei van de beroepsbevolking leiden tot een vrij lage kruissnelheid van de westerse economieën. Die structurele invloed gaat niet zomaar weg, aldus de Wereldbank.

Laten we ons desondanks wederom betoveren door Goudlokje? Misschien is het trauma van de financiële crisis nog te vers om weer in een gouden toekomst te durven geloven. Eens komen de drie beren thuis. Hopelijk niet al te boos.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.