Recensie

De condition millenniale

Millennials

Anders dan verwacht beleefde de millennial-generatie opgroeien als een complexe oefening in risicomanagement, zo blijkt uit een boek over deze groep.

Foto: Hollandse Hoogte / Cultura Image

In de kolommen van deze krant deed de millennial zijn intrede in januari 2001. Ze heten in goed Nederlands toen nog ‘millennianen’, in het artikel met als kop ‘In een draagdoek naar de top. De gouden toekomst van de millenniumgeneratie’. Vijftien jaar later leest het stuk nog altijd vertrouwd, met overpeinzingen over kinderen die van jongsaf op een troontje zijn gezet, voortdurend zijn gepamperd en daardoor krampachtig onvolwassen willen blijven.

Maar over die gouden toekomst, daarover zou de ‘millenniaan’ van vandaag nog wel wat vragen hebben. Ik durf hier wel voor hem of haar te spreken, want bij een auditie voor de rol van prototype millennial zou ik waarschijnlijk zonder vragen worden aangenomen. Over zulke partijdigheid kun je maar beter meteen eerlijk zijn, al maakt het je positie ook hachelijk: bespiegelingen op de eigen generatie zijn vaak tenenkrommend. Voor de millennial is het zelfs nog iets gevaarlijker, bekend als ze staan om hun onfeilbare talent voor navelstaren en hysterische zelfanalyse.

De New Yorker Malcolm Harris (1988) begeeft zich in zijn boek Kids These Days. Human Capital and the Making of Millennials dus op glad ijs. Je kunt bovendien inmiddels wel een studentenkamer van formaat behangen met de exposés over of deze generatie nu wel/niet narcistischer, luier, labieler of smartphoneverslaafder is. Die komen grofweg in twee smaken: cultuurkritieken over de overgevoelige snowflakes –een term die de moderne taal insloop via Chuck Palahniuks roman Fight Club – en handleidingen over hoe op de werkvloer om te gaan met generation me. Slotsom is doorgaans dat millennials bovenal vreselijk irritant zijn.

Harris doet echter iets anders, precies vanuit de constatering dat de ‘gouden toekomst’ er niet is gekomen. En dat terwijl deze generatie beter opgeleid is dan ooit, zich amper te buiten ging aan drugs en seks en zich eigenlijk buitengewoon braaf en gedisciplineerd voorbereidde op een toekomst als modelwerknemer.

Anno 2017 blijken lonen echter gestagneerd, een vast contract net zo zeldzaam als een betaalbare hypotheek en studieschulden torenhoog. Millennials, zo schrijft Harris, werd verteld ‘zoveel mogelijk menselijk kapitaal te verzamelen. En dat deden we, maar de markt heeft zich niet aan de afspraak gehouden.’

In plaats van de zoveelste psychologische duiding, levert Harris, die eerder ook voor het socialistische tijdschrift Jacobin schreef, daarmee een vrij klassiek marxistische analyse. Millennials komen ergens vandaan, wil hij maar zeggen, en hun lot zegt iets over de richting van de Amerikaanse samenleving. Deze generatie kreeg ingepeperd dat succes of falen een individuele verantwoordelijkheid is. ‘In een wereld waarin elke keuze een investering is, is opgroeien een erg complexe oefening in risicomanagement geworden’, schrijft Harris, waarbij de risico’s niet zozeer dood of ziekte zijn maar factoren die toekomstig succes kunnen bepalen.

Van huiswerkklas tot hypercompetitieve sportclub: alles staat in het teken van excelleren. En met reden, want maatschappelijk falen is in een wereld van groeiende ongelijkheid een reëel risico. Sterker: werk lijkt steeds meer een soort privilege te worden, het meest zichtbaar in de groei van het aantal onbetaalde stages, waarvoor twintigers geacht worden in de rij te staan.

Eigenlijk, schrijft Harris, zijn veel van de geridiculiseerde eigenschappen van millennials een gevolg van het feit dat ze zich te goed hebben aangepast aan het systeem. Jezelf als merk verkopen, ook op sociale media, is voor hen hun tweede natuur. En wie kan ze keuzestress, angststoornissen en de behoefte aan trigger warnings kwalijk nemen in een wereld waarin hen al vanaf de zandbak werd geleerd risico’s uit te bannen?

Harris’ boek is wervelend: hij weet duidelijk waar hij het over heeft en schrijft het haarscherp op. Maar toch: soms verlang je naar een beetje zelfspot, een kleine relativering wellicht. Misschien is het de geïnternaliseerde aversie tegen het millenniale navelstaren, maar ergens halverwege Harris’ boek ga je je toch een tikje ergeren. Ja, de nieuwe generatie lijdt onder de ratrace, maar uniek zijn ze daarin toch ook weer niet?

Harris’ analyse is eigenlijk te relevant om die alleen op zijn eigen tijdgenoten te betrekken. Dat levert de merkwaardige constatering op dat zijn scherpe beschouwing over de condition millenniale misschien wel beter te verteren zou zijn als het maar niet zoveel over millennials zou gaan.

Ergens knagen weer de bekende en veel te makkelijke verwijten: als jullie het eens niet zoveel over jullie zelf zouden hebben, zouden jullie misschien eens iets kunnen veranderen? Het is de catch-22 van deze generatie. Het systeem heeft ze zo effectief genaaid, dat ze er zelf niet eens over kunnen klagen.