Cultuur

Interview

Interview

Linda Menuhin-Abdul-Aziz

foto peter de krom

Hoe Linda haar Joodse vader in Saddams Bagdad verloor

Linda Menuhin

De Israëlische journalist Linda Menuhin poogde de verdwijning van haar vader op te helderen. Verslag van de teloorgang van de Iraakse Joden.

Pas op het laatste ogenblik durfde de toen 20-jarige Linda Menuhin-Abdul-Aziz haar vader te vertellen dat ze met haar jongere broer illegaal naar Israël wilde vluchten. De taxi stond die bewuste dag in 1970 al klaar voor hun woning in Bagdad in een straat waar steeds meer Joden de wijk namen wegens de toenemende onderdrukking. „Hij zei: ik denk dat het verkeerd is om het te doen”, herinnert Menuhin zich. „Het was de laatste keer dat ik hem zag.”

Hoewel ze het verhaal al vaak heeft verteld, trilt haar stem ook 47 jaar later weer even en er valt een korte stilte in de bibliotheek van de Israëlische ambassade in Den Haag, waar het gesprek plaatsvindt.

Het is een moment dat Menuhin voor altijd bijblijft. Niet alleen omdat het haar laatste herinneringen aan geboortestad Bagdad zijn maar ook omdat haar vader, een Joodse advocaat, een paar jaar later in strijd met zijn vaste gewoonte op Yom Kippoer niet bij de synagoge verscheen om daar psalmen te zingen. Sindsdien is hij spoorloos, naar alle waarschijnlijkheid opgepakt en vermoord door de politie van Iraks sterke man Saddam Hussein.

Elke dag had ik nachtmerries over Saddam Hussein

Enige tijd later las Linda – intussen in Israël in gezelschap van haar broer maar ook van haar later gevluchte moeder en zus – een artikel in de Jerusalem Post. Daarin werd melding gemaakt van enkele gedode Iraakse Joden, onder wie Jacob Abdul Aziz, haar vader. De beginselvastheid van de advocaat, die het niet over zijn hart kon verkrijgen de wetten van zijn land te schenden en illegaal te vluchten, was hem naar het leek fataal geworden.

Hoewel het nieuws Linda en de rest van de familie als een mokerslag trof, had het iets onwezenlijks. Ze wisten zich er geen raad mee. „Het was er en het was er niet”, zegt Menuhin. „Volgens de joodse traditie moet je een graf hebben om een dode te herdenken maar dat hadden we niet. Daarom baden we ook niet voor hem.”

Van de Iraakse autoriteiten vernam de familie niets. Wel kwam er een brief retour die ze met een omweg via een tante in de VS aan Jacob hadden gestuurd. Daarop prijkte het stempel ‘Heeft het land verlaten’. Was hij toch gevlucht? Menuhin: „Er was geen enkele aanwijzing voor maar de autoriteiten konden natuurlijk beweren wat ze wilden. Zo hoefden ze geen uitleg te geven over mijn vaders verdwijning.”

Zo goed en zo kwaad als het ging hernamen Linda en haar familie hun leven. Dat lukte de een beter dan de ander. Linda’s broer, talentvol op school, kreeg te kampen met psychische problemen en belandde onder langdurige psychiatrische behandeling. Linda zelf werd journalist bij de Israëlische staatsomroep, met als specialisme het Midden-Oosten.

Zo kwam ze nog steeds in aanraking met Irak. Maar pas in 1991, toen Saddam Hussein tijdens de Koeweitcrisis Scud-raketten op Israël afvuurde, borrelden haar eigen herinneringen aan Irak weer naar boven. „Elke dag had ik nachtmerries over Saddam Hussein. Ik raakte er door in een crisis. Ik haatte de Arabische taal, waarin ik werkte. Ik gaf mijn baan op.”

Ook in 2003, toen de Amerikanen en de Britten Irak binnenvielen en Saddam verdreven, was ze er continu mee bezig, al had ze toen geen baan. „Irak was weer de hele dag in mijn huis”, lacht ze.

‘Operatie Rode Dageraad’, die op een zaterdag in 2003 leidde tot de gevangenneming van Saddam Hussein, was het gevolg van een gouden tip van een familievriend. Lees daarover: Hoe werd hij gevonden?

Door Saddams val kon ze mogelijk meer uitvinden omtrent haar vaders lot. „Irakezen gaan ordelijk te werk en leggen alles vast, zoals de nazi’s”, zegt Menuhin. „Misschien kon ik documenten achterhalen over hoe hij was gearresteerd en ondervraagd. Ik kon gewoon niet accepteren dat hij alleen maar was gedood omdat hij een Jood was.”

Pogrom in 1941

Rond die tijd zei een Iraaks-Joodse kennis: „Ik ga terug naar Irak, waarom ga je niet mee?” Menuhin durfde niet. In plaats daarvan ontstond het idee een film te maken over haar vader en de ondergang van de Joodse gemeenschap in Bagdad. Ze begon, op afstand, met het verzamelen van getuigenissen van gevluchte Irakezen in onder meer Londen, ook van moslims.

Van de eens zo bloeiende Joodse gemeenschap in Bagdad was toen al vrijwel niets meer over. „Zelfs toen ik klein was, was die al veel kleiner geworden dan hij was”, vertelt Menuhin. Onder het Britse protectoraat was het de Joden voor de wind gegaan maar na het begin van de Tweede Wereldoorlog groeide het antisemitisme tegen de circa 135.000 Joden snel. Dramatisch keerpunt was een pogrom in 1941. In twee dagen werden 180 Joden gedood.

„Er gebeurden verschrikkelijke dingen. Er werd geroofd en gemoord. Lichaamsdelen van kinderen werden afgehakt om waardevolle armbanden en andere juwelen te stelen.” Die pogrom liet een diep litteken na en veranderde de betrekkingen tussen Joden en niet-Joden ingrijpend. „De Joden voelden dat hun leven in gevaar was. Met het uitroepen van de staat Israël in 1948 kwam er dan ook een exodus van Joodse vluchtelingen op gang.”

Voor de achterblijvers, onder wie het gezin van Jacob Abdul Aziz, werd de situatie moeilijker. Wie alsnog naar Israël wilde, moest volgens een nieuwe wet al zijn bezittingen in Irak achterlaten. „Ik werd geboren in het huis van mijn grootvader, die had zich ook gemeld te vertrekken. Dat huis werd door de autoriteiten ook geconfisqueerd. Wel mochten we er, tegen een bescheiden huur, blijven wonen.”

Was het leven tot 1967 nog enigszins draaglijk voor de Joden, na de zege van Israël op de Arabieren in de Zesdaagse oorlog verslechterde dat snel. „De Arabieren zeiden dat Joden in de Arabische staten hiervoor een hoge prijs zouden betalen. Ze werden als een vijfde kolonne gezien.”

„Als we meer dan 80 kilometer van huis wilden, hadden we speciale toestemming nodig. We mochten alleen kleine bedragen bij de bank opnemen. Joden mochten niet meer voor de overheid werken. Onze Joodse sportclub ging dicht, Joden mochten van geen enkele club meer lid zijn. Universiteiten werden gesloten voor joden. Na mijn schooltijd zat ik thuis te breien en te naaien”, lacht Menuhin, „ik volgde een Franse cursus. We probeerden allemaal onze talenkennis op te poetsen.”

‘Een Iraakse chirurg werkt hier in een pompstation’, zei Dorine Manson van VluchtelingenWerk in Buitenhof. Lees daarover deze NRC checkt.

Opgehangen op het Tahrir-plein

Begin 1969 was er een nieuw dieptepunt. Een aantal Joden werd, voor zover bekend zonder enig bewijs, gearresteerd om spionage voor Israël. Op 22 januari werden ze opgehangen op het Tahrir-plein, het grote centrale plein in Bagdad. „Zo’n 250.000 Irakezen kwamen kijken om het te vieren. Ik kende een jongen die werd opgehangen, hij was 17. De angst die we allen voelden, kan ik niet beschrijven.”

Niet lang daarna werd ook een familielid van Menuhin gearresteerd, een accountant. „Hij werd van huis opgehaald en keerde terug in een jute zak, dood. Hij was de enige niet. Zeker vijftig Joden kwamen zo om het leven of verdwenen om nooit meer gezien te worden.”

Meer en meer Joden probeerden heimelijk naar Israël te vluchten. Als jurist voelde Jacob Abdul Aziz er niet voor, al was zijn advocatenpraktijk achteruit gehold door het vertrek van Joodse cliënten. Tegenover zijn vrouw en kinderen deed hij alsof alles spoedig beter zou worden.

„Veel Arabieren waren overtuigd dat de Joden het bloed uit Irak zogen. Op de universiteit, die weer Joden toeliet, stond bij de ingang een stalletje voor Palestina om fondsen te werven. ‘Geef een dinar, dood een Jood’, was de leus daar. Op zulke dagen kon je als Jood beter thuisblijven.”

Een familielid werd van huis opgehaald en keerde terug in een jute zak, dood. Hij was de enige niet.

In die tijd kreeg zij via een vriend het aanbod de volgende dag te vluchten. Haar broer kon mee. „Ik was bang het plan vooraf met mijn vader te bespreken”, vertelt ze. „Ik kocht een abaya en mijn broer schafte op de rommelmarkt een oude jas aan.”

In het busje dat hen naar de Koerdische gebieden voerde, zaten ze zo onopvallend mogelijk tussen wat Koerden. Zo bereikten ze de stad Suleimaniya. ’s Avonds stapten ze in een Jeep, die zonder licht door de koude donkere bergen – het was eind december 1970 – scheurde. „De politie zit achter ons aan”, vertelden hun begeleiders. Menuhin: „Op een gegeven moment moesten we in het pikkedonker uitstappen. Daar stond een smokkelaar met ezels te wachten. Langs een glibberig pad kwamen we bij een beek. ‘Aan de overkant ligt Iran’, zei de smokkelaar. We werden daar inderdaad door Iraanse militairen begroet.” Via Teheran, waar Israël toen nog niet als aartsvijand gold, wisten Menuhin en haar broer Israël te bereiken.

Jacob Abdul Aziz werd kort daarop gearresteerd en ondervraagd waar zijn kinderen waren gebleven maar na enige tijd kwam hij vrij, met hulp van moslimvrienden. Er volgde enkele maanden later een nieuwe arrestatie, ditmaal voor een paar maanden. In augustus 1971 namen ook zijn vrouw en jongere dochter de benen, opnieuw tegen zijn zin. „Mijn moeder was bang dat ze anders mijn broer en mij nooit meer zou zien en ze had er geen vertrouwen in dat we vertrekpassen zouden krijgen, zoals mijn vader hoopte.” Daarna was er alleen nog contact per post, via de Amerikaanse tante.

Shadow in Bagdad

Ze kon „het niet opbrengen” een film over haar vader te maken. Toen kreeg ze contact met een regisseur, Duki Dror, wiens vader in de jaren 50 in Irak was gearresteerd. Hij zag wat in het project, maar het vlotte niet. Een interview van haar met de Amerikaans-Iraakse tv-zender Alhurraz zorgde drie jaar later voor een stroomversnelling. Ze vertelde dat ze nog altijd haar vaders dood hoopt op te helderen.

Geef een dinar, dood een jood’, was de leus daar. Op zulke dagen kon je als jood beter thuisblijven.

Er meldde zich online een Iraakse journalist, een shi’iet die slechts van zijn oma over de Joden in Bagdad had gehoord. Hij bood aan te speuren. De contacten met de journalist spelen een grote rol in de film. Menuhin ontmoette de journalist één keer, niet in Irak maar in het Jordaanse Amman. Om veiligheidsredenen wil hij zijn identiteit niet openbaar maken.

Ook de speurtocht van de journalist gaf geen uitsluitsel, al is haar vader vermoedelijk begraven bij een berucht complex waar veel gevangenen de dood vonden.

Shadow in Baghdad over haar zoektocht kwam er in 2013 en had op Menuhin een therapeutische werking. Het maken en de contacten met talrijke mensen die haar wilden helpen, waren als balsem op haar ziel. Dat gevoel werd na het uitkomen nog sterker door discussies met andere gevluchte Irakezen, in de diaspora. Het was ook om de vertoning van de film dat ze eind 2017 in Nederland was.

„Het drong tot me door hoeveel anderen door het regime waren vervolgd en er onder hadden geleden, niet alleen Joden, ook moslims en christenen. Ik had me daar lange tijd voor afgesloten. Veel Irakezen die de film zien beseffen dat het ook hun verhaal is. We zijn als één grote familie die allemaal hebben geleden onder dat ellendige regime.”

Wil Linda Menuhin nog terug naar Bagdad? Lachend: „Mijn mantra is, dat ik alleen terug wil als Israëlisch ambassadeur in Bagdad.”