Jos Houweling.

Foto Lars van den Brink

‘De truc is: niet nadenken’

Collages Kunstenaar Jos Houweling (74) maakt boeken met fotocollages. Het Centre Pompidou kocht zijn werk uit de jaren zeventig aan en bereidt een tentoonstelling voor. „Zinloosheid verzamelen om er later taart van te maken, dat is wat ik doe.”

Als een stad in Roemenië. Zó grauw en smoezelig oogt Amsterdam in het 700 Centenboek, het zwart-witfotoboek dat kunstenaar Jos Houweling in 1975 over de hoofdstad maakte. Tot zijn eigen verrassing, zegt hij. „Het was nooit mijn intentie om Amsterdam armetierig te laten overkomen.” Sterker nog, zegt Houweling, hij maakte zijn collages van kapotte brand- en politiemelders, scheve Amsterdammertjes en bladderende peperbussen juist omdat hij dat straatmeubilair zo mooi vond.

Het 700 Centenboek is een legendarische feestuitgave van de Gemeentegiro, bedoeld om het zevenhonderdjarige bestaan van de stad Amsterdam luister bij te zetten. Het zal een van de best verkochte Nederlandse fotoboeken ooit zijn, want à raison van 700 centen (de kostprijs) werden liefst 66.000 exemplaren verkocht.

Decennialang lagen de tweehonderd fotocollages uit het boek bij Houweling in een kast. De kunstenaar bood ze aan bij het Amsterdam Museum en het Stedelijk Museum, maar die toonden geen belangstelling.

Amsterdam-collage uit het in 1975 verschenen ‘700 Centenboek’.

Centre Pompidou wél. Nadat tentoonstellingsmaker Erik Kessels in 2014 op het fotofestival in het Franse Arles een paar van de collages had opgehangen, meldde zich een conservator van het Parijse museum in Amsterdam. Voor 30.000 euro kocht Pompidou het complete 700 Centenboek aan. Conservator Florian Ebner noemt de collages van Houweling „een fotografisch meesterwerk uit de jaren zeventig”. Binnenkort, zegt Ebner, zal Pompidou de collages exposeren.

Dit voorjaar publiceert Jos Houweling (74) bij uitgeverij Voetnoot drie nieuwe fotoboeken, met in totaal zeshonderd collages. Eentje over voetbal, een ‘portretcatalogus’ én een boek met ‘afvalstillevens’. De laatste twee boeken maakte hij met in Amsterdam op straat geschoten foto’s. Voor de voetbalcollages gebruikte Houweling foto’s van televisie-uitzendingen en krantenfoto’s, die hij op zijn laptop bewerkte.

Was uw werk al eens eerder door een museum aangekocht?

„Nee. Je droomt wel eens over dingen die kunnen gebeuren. Maar nooit over Centre Pompidou. Dat is een droom te hoog. Ik zie het als een onverwacht cadeau.”

In 2010 ging u met pensioen als directeur van het Sandberg Instituut, de masteropleiding voor beeldende kunst. En nu publiceert u opeens drie boeken tegelijk.

„Dat verrast me zelf ook. Eind jaren zeventig moest ik stoppen met fotograferen omdat ik van de chemicaliën eczeem aan mijn handen had gekregen. Na mijn pensioen kon ik dankzij de digitale fotografie weer verder. Eerder stak ik mijn tijd vooral in het onderwijs. Nu kan ik het me permitteren om kunstenaar te zijn. Daar verdien je heel weinig mee. Met kunst heb ik de afgelopen tien jaar hooguit twee maandsalarissen verdiend. En mijn uitgever verwacht van die nieuwe boeken vierhonderd exemplaren te verkopen. Daar doe ik het dus ook niet om.”

Waarom dan wel?

„Een gelukte collage geeft me een intens plezier. Ik werk zeven dagen per week. Naast die collages heb ik ook nog twee andere boeken gemaakt. Een roman die 1,3 Doden per bladzijde heet en precies biedt wat hij belooft: 379 doden in 301 hoofdstukken. En een boek met scheldwoorden en verwensingen die ik als krantenlezer en televisiekijker in veertig jaar tijd heb verzameld.”

Houweling pakt zijn laptop en toont drie alfabetisch gerangschikte lijsten. Het eerste hoofdstuk zijn de Bedreigingen. Bij de A: Alle Mohammedanen eruit! Alle mannelijke kattenliefhebbers castreren! Als ik jou op de operatietafel tegenkom, gaat je verkeerde been eraf.

Houweling: „En zo heb ik 800 pagina’s. Niks verzonnen. Het is de inventarisatie van wat een normaal mens in veertig jaar aan verwensingen voor zijn kiezen krijgt.”

Collage uit ‘Bal & Voet’, dat binnenkort verschijnt bij uitgeverij Voetnoot.

Waarom heeft u vóór uw pensionering nooit tentoongesteld?

„Als docent exposeren, dat voelde als concurreren met mijn studenten, die veel beter waren dan ik. Daarom hield ik het bij boeken, filmpjes en radio. Bij de KRO was ik de Kunstombudsman. Dan beantwoordde ik vragen als: ‘Wat voor aardappels eten ze op De aardappeleters van Van Gogh?’ Nee, geen eigenheimers. Die kwamen pas tien jaar later op de markt. Vermoedelijk waren het Bremer Rode. Hoe dommer de vragen, hoe leuker de antwoorden.”

Met zijn digitale camera gaf Houweling zichzelf eerst eenvoudige opdrachten. Zoveel mogelijk rood fotograferen. Of zoveel mogelijk groen. Voor rood kiekte hij op straat autolichten. Voor groen ging hij voor de televisie zitten, om bij voetbalwedstrijden gras te schieten als er even geen spelers in beeld waren. Maar toen hij die foto’s later op zijn computer bekeek, zag hij hier en daar toch een been. „Daar tekende ik dan een mannetje bij. Voor ik het wist, interesseerde dat gras me niks en begon ik voetbalbenen te fotograferen.”

Bent u zo’n voetballiefhebber?

„Ik kijk alleen naar Ajax. Wat ik met die collages wil? Daar ga ik niks over zeggen. Met woorden verdwijnt de magie, de lol van het kijken. Daarom staan er in mijn boeken ook geen voorwoorden. Alleen voor de aanbiedingsfolder van de uitgeverij heb ik teksten gemaakt.”

Over De portretcatalogus schreef u: ‘Kijken naar mensen kun je zien als een levensbehoefte. Zonder mensen om naar te kijken ga je dood. Vandaar dat Jos Houweling niet krenterig is geweest.’

Met een grijns: „Ach, je moet wat zeggen. Maar het is wel waar.”

En u belooft ‘een eigentijdse overdaad aan ogen, neuzen en vleeskleuren’.

„Op straat fotografeerde ik in abri’s en etalages de gezichten op affiches. Die bewerk ik. Ik maak de huid gladder, poets kaken weg en vergroot of verklein ogen, zodat ze beter bij de neus passen. Eigenlijk vervolmaak ik die gezichten.

„Net als indertijd met het 700 Centenboek verbaas ik me over wat ik op straat zie. Alleen gaat het in mijn nieuwe collages meer over fantasie dan over registratie. Er is de afgelopen decennia zoveel seriefotografie gekomen. Ik vond dat ik iets anders moest gaan doen.”

Voor Afvalstillevens heeft u kunst gemaakt van de troep op straat?

Lachend: „Een vriendin vroeg eens aan mijn dochter: ‘Gaat het wel goed met je vader?’ Ze had me op straat een hondendrol zien fotograferen. Dieptepunten vastleggen, daar houd ik van. Jarenlang heb ik de rotzooi in afvalcontainers gefotografeerd. Hout, stenen, stukgeslagen badkamers, altijd details, in wel duizend containers. De truc is: niet nadenken maar gewoon doen. Nadenken remt maar en voorkomt dat je op nieuwe ideeën komt. Bij die containers ben ik vaak aangesproken. Heel beleefd: ‘Mag ik vragen wat u doet?’ Als ik uitleg waarmee ik bezig ben, en duidelijk wordt dat ik niet van de gemeente ben, reageren ze opgelucht: ‘Goed idee, meneer.’ Zinloosheid verzamelen om er later taart van te maken, dat is wat ik doe.”

Bent u niet uit op verwarring?

„Ik geef toe dat televisiemaker Wim T. Schippers mijn grootste held is. De Fred Haché Show en Van Oekel’s Discohoek behoren tot onze culturele hoogtepunten. Maar toch is het de verkeerde vraag. Ik zeg Schippers graag na: ‘Ik doe maar wat.’ Dat is de essentie van kunst. Je moet niet met grote woorden en plannen iets nieuws willen maken. Niet zoeken maar vinden, dat is ’t geheim. Mijn beste collages stoelen vaak op half-bewuste fouten. Een hoofd dat ik per ongeluk te groot heb gemaakt. Fouten koester ik.”

In 2025 bestaat Amsterdam 750 jaar. Zou een 750 eurocenten-boek een ander beeld geven?

„Amsterdam is heel erg veranderd. Ik ben er zeker van dat me nu heel andere dingen zullen opvallen dan in de jaren zeventig.”

    • Arjen Ribbens