Opinie

    • Joyce Roodnat

Boef is een vlieg op een boleet

Joyce Roodnat Joyce Roodnat ziet in het Rijksmuseum Twenthe waarom Otto Marseus van Schrieck in zijn tijd beroemd was: hij schilderde dieren én planten als levensechte wezens. Maar wat heeft rapper Boef daarmee te maken?

Otto Marseus van Schrieck: Stilleven met insecten, amfibieën en reptiel (1662). Foto Rijksmuseum Twenthe/Herzog Anton Ulrich-Museum Braunschweig

Onder struiken en bosjes krioelt leven, met kriebelpootjes, glibberrugjes, gesperde bekjes, vliesvleugeltjes. De zeventiende-eeuwse schilder Otto Marseus van Schrieck kreeg er geen genoeg van, even beeldschoon als aanraakbaar beeldde hij hagedissen af en adders en libelles en vliegjes en wat niet al, in schaduwlandschapjes vol zwammen, twijgen en bloemen.

In zijn tijd was hij beroemd, en in het Rijksmuseum Twenthe in Enschede is te zien waarom. Hij is een zeventiende-eeuwse David Attenborough. Die Britse natuurfilmer maakte zo’n driehonderd jaar later de meesterlijke tv-serie Life in the Undergrowth met dezelfde kracht. Allebei ontsluiten ze het onzichtbare, een stukje duistere wereld waar het wemelt van onwaarschijnlijke wezens. Allebei bevestigen ze met hun kunst het wonder van het leven. Ze etaleren de werkelijkheid, terwijl ze die onbekommerd laden met onwerkelijkheid: met menselijke trekjes. Of dieren nou een zeehond zijn of een spin, Attenborough filmt ze als personality’s. Marseus deed dat ook, met zijn penseel. Levensecht zijn zijn dieren – en toch niet. Een humeurige pad is een patser. Een adder en een hagedis bedreigen elkaar als leden van concurrerende jeugdbendes. En een krekel interesseert het allemaal niet. Ook elk groeisel schildert hij zo hevig ‘echt’ dat het een wezen wordt. Ik zie een tragische cyclaam, een machteloze distel.

Vliegende lampjes

Attenborough verzacht de boodschap, hij maakt van de grootste griezel nog iets vriendelijks. Daar deed Marseus niet aan. Zijn gedierte is onverschillig en vaak wreed. Maar ook hij neemt de vrijheid om het duister te bestrijden en dat doet hij opvallend romantisch, namelijk via de vlinders. Op al zijn schilderijen zijn ze vliegende lampjes, lichtpuntjes in de zwarte spiegel die Marseus ons voorhoudt.

En nu even over Boef.

Hallo! Die rapper met zijn vrouwenhatend gescheld, wat heeft die ermee te maken? Alles. Hij poseert in zijn teksten als die vlieg op die boleet van Otto Marseus: onverschillig en egomaan. En toen liet hij de vrouwenhaat uit zijn raps de werkelijkheid instromen en werd wat hij zei hyperreëel. En nou heeft hij het gedaan, de stakker. Hém willen de muziekfestivals nu niet meer in hun programma – waar dus al die andere rappers gewoon welkom zijn. Mét hun teksten vol ‘bitch’ en ‘ho’ en hoer en zo, maar zogenaamd keurig, want binnen de lijnen van een song. Och, ’t is maar straattaal, dat betekent niks, hoor ik, daar moet ik geen aanstoot aan nemen.

Ik bekijk rap-videoclips en luister naar de teksten. De ‘bitches’ en de ‘hoeren’ zijn nooit iets anders dan seksuele hulpstukken. Bekijk het maar. Het raakt me. Ik neem er aanstoot aan. Wel.

    • Joyce Roodnat