Beving was ‘sterk’ signaal maar niet ‘afwijkend’

Aardbeving zeerijp

In haar laatste risicoanalyse schatte de NAM de kans op zware bevingen dit jaar in Groningen in op 16 procent. ‘Zeerijp’ komt dan ook niet onverwacht.

Archiefbeeld van schade aan een Groningse woning. ANP

Op een diepte van drie kilometer onder Zeerijp deed zich maandag om 15.00 uur een aardbeving voor met een kracht van 3,4 op de schaal van Richter. Was dat onverwacht zwaar? Zou deze gebeurtenis te classificeren zijn als een ‘afwijkend signaal’? Als dat zo is, moet de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) volgens haar eigen meet- en regelprotocol – dat vorig jaar door toezichthouder Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) is geaccepteerd – de aardgasproductie direct verlagen om het seismisch risico te beperken.

Het KNMI, dat aardbevingen in Nederland monitort, noemt de beving bij Zeerijp geen afwijkend signaal. „Wel een sterk signaal”, zegt Läslo Evers, onderzoekshoofd bij de afdeling seismologie en akoestiek van het KNMI. Het is de op twee na sterkste aardbeving in het Groningse gaswinningsgebied, na die bij Huizinge (2012, kracht 3,6) en Westeremden (2006, 3,5).

De NAM rekende in haar laatste risico-analyse (november 2017) voor dat er een kans is van 16 procent dat zich in 2018 een aardbeving zwaarder dan 3,6 voordoet. Dat was nog berekend op basis van het winningsplan van 2013. Maar, schrijft de NAM, die kansen zijn sindsdien niet veranderd. De kans op een aardbeving boven de 4,5 wordt ingeschat op 1,6 procent voor 2018 (stijgend naar 2,2 procent in 2022).

Aardbevingen ontstaan als ondergronds gesteente langs breukvlakken ten opzichte van elkaar verschuift. Dit gebeurt in Groningen als gevolg van gaswinning. Daardoor daalt de druk in de gashoudende zandsteenlaag, die ligt op een diepte van drie kilometer en 100 tot 250 meter dik is. Het daar bovenliggende gesteente drukt dan zwaarder op de zandsteenlaag. In die laag bouwt zich spanning op, vooral in de talloze breukvlakken die er van nature in aanwezig zijn. Totdat de schuifweerstand wordt overschreden en die vlakken plotseling ten opzichte van elkaar verschuiven.

De NAM, het KNMI en het SodM hebben de voorbije jaren vaak de kans berekend op zware aardbevingen en de zwaarst te verwachten beving. Maar er zijn veel onzekerheden. Er doen zich exponentieel meer lichte aardbevingen voor dan zware en er lijkt een logaritmisch verband te zijn tussen hun beider toename (zie grafiek). Maar dit is statistisch lastig te verifiëren, omdat er zo weinig zware bevingen zijn.

Verschillende opvattingen

Kern is dat toezichthouder SodM en gasproducent NAM in hun kansberekeningen een andere theoretische basis gebruiken. Het SodM gaat ervan uit dat naast de hoeveelheid gewonnen gas ook de snelheid van winning het te verwachten aantal aardbevingen beïnvloedt, en dus ook op de kans dat zich zwaardere bevingen voordoen. Volgens de NAM heeft de snelheid echter geen invloed: 25 jaar snel winnen levert in die opvatting evenveel bevingen op als honderd jaar langzaam winnen. Volgens Evers (KNMI) is er voor beide opvattingen „nog geen theoretische onderbouwing”.

De kracht van een aardbeving zegt trouwens niet alles. De vraag is hoe een ondergrondse beving zich voortzet tot aan het oppervlak en in hoeverre die daar grond en huizen in trilling brengt. Volgens het SodM was de grondversnelling bij Zeerijp groter dan destijds in Huizinge, terwijl de beving minder zwaar was. Met de nu gemeten grondversnelling (0,116 g) is het hoogste niveau uit het meet- en regelprotocol bereikt: het interventieniveau.