Column

Bakker

Marcel

In het dorp zitten nog drie authentieke warme bakkers, net zoveel als in Amsterdam-Oost waar een veelvoud aan mensen woont. De dichtstbijzijnde bakkerswinkel is tevens een koffiesalon, voor mij de laatste halte tussen de kinderopvang en thuis. Ik ben er vrijwel dagelijks even de enige klant. Een van de uitzendkrachten zei me een keer achter haar hand, alsof ze een groot geheim met me deelde, dat ze dacht dat er zo weinig koffieklanten waren omdat er geen koekje bij de koffie werd geserveerd.

„Dat is natuurlijk vreemd, voor een bakker… In Krommenie doen ze dat wel.”

„Ja, maar dat is Krommenie”, zei ik.

Wel of geen koekje maakte mij niet uit.

Ik kwam er voor de rust, even voor me uit staren.

Mijn vader was zijn werkende leven ooit begonnen als bakkersknecht, misschien dat dat het was. Noord-Brabant in oorlogstijd: hij werd betaald in broden. Als die bij een bakkerswinkel naar binnen liep snoof hij heel nadrukkelijk de lucht op en kon dan tussen de mensen zinnen zeggen als ‘Hier hebben ze lekker brood, jongen’, een constatering waar ik als puber weinig mee kon.

„Ja, echt?”

Laatst duurde het even voor de koffie kwam, de broodverkoopster was even bezig. Ik leerde dat onverkochte kerstbroden nog rendabel te maken zijn als je ze in sneetjes snijdt en ze dan per vijf in een zakje sealt.

De broodverkoopster: „Maar dan moet iemand ze wel eerst snijden, toch?”

Gisteren ving ik een gesprek op tussen haar en een klant. „Die lust mijn oudste zoon wel”, zei de klant over een zak krentenbollen. „Die is beroepsmilitair dus…” Waar ze aan had moeten wennen is dat militairen elkaar bij de achternaam noemen.

„Viert hij z’n verjaardag, roepen ze de hele tijd: ‘De Waal zijn er nog chips? De Waal is er nog cola?”

Daarna: „En hij heeft ook al z’n afscheidsbrief geschreven, dat moet voordat ze op uitzending gaan. Hij hoopt op Afrika, maar je hebt de brandhaarden niet voor het kiezen. Hogerhand bepaalt.”

Weer daarna: „En de jongste heeft nu ook verkering. Met de zus van de vriendin van de oudste.”

De broodverkoopster: „Toevallig.”

De klant: „Nee hoor, dat is bij ons heel normaal. Ik kan het je nog wel sterker vertellen: de jongste broer van mijn man is getrouwd met m’n zus.”

De broodverkoopster: „Ik snap ’m niet...”

De klant: „Ik snap hem ook niet!”

„Zo”, zei de broodverkoopster, toen de klant weg was en ze met een doekje mijn tafeltje afdeed. „Dat was een lang gesprek.”

Ik wist niets terug te zeggen, behalve dat ik het brood lekker vond ruiken.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.