Altijd in de schaduw

Onbedoeld leert Paul Delvaux ons waarom het maar beter is dat we ‘s nachts dromen. Omdat dromen behoorlijk slaapverwekkend kunnen zijn.

Paul Delvaux, De kruisiging (1954). Olieverf op doek, 200 x 270 cm. Privéverzameling, in depot in het Museum van Elsene. Fondation Paul Delvaux, Sint-Idesbald / Pictoright Amsterdam

Het meest bijzondere kunstwerk in de tentoonstelling van Paul Delvaux (1897-1994) in de Kunsthal in Rotterdam is bepaald geen typische Paul Delvaux. Niet zijn nachtelijke vlaktes met ronddolende naakten, maar een traditionele kruisiging – hoewel, een surrealistische variant, waarin alle personages geraamtes zijn. Uitgevoerd in de grijsblauwe nachtkleuren waar de Belgische schilder zo van hield, is op dit fraaie doek uit 1954 alles in balans. Het licht is magisch, de compositie is slim, alles klopt. En mocht het wat stijf zijn, we hebben het hier wel over skeletten.

Het is een bijzonder schilderij om nog een reden: het is ongeveer het enige echt geslaagde en oorspronkelijke kunstwerk op de tentoonstelling. En dat terwijl er veel te zien is. Met negentig schilderijen en tekeningen toont de Kunsthal een doorsnede van ruim een halve eeuw kunstenaarschap. De vroege werken uit de jaren twintig waren scènes van treinen en stations waarin je een verlangen lijkt te kunnen zien naar ontsnappen, vluchten. Ontsnappen zou hij blijven proberen, door een wereld te schilderen die niet lijkt op de onze. Skeletten, een enkel portret, en vooral – pakweg driekwart van de werken – die droomnachten waar vaak onbereikbare naakte vrouwen spookachtig opdoemen tussen klassieke architectuur.

Ongemakkelijk

Het was de tijd van de surrealisten (zelf noemde Delvaux zich liever ‘poëtisch realist’), Freud werd op handen gedragen, en schilders wilden hun diepste fantasieën en onderbewuste op het doek krijgen. Maar Delvaux’ dromen zien er vooral ongemakkelijk uit: niemand staat erbij alsof ze zich op haar gemak voelt. Het is houterig, zonder sensualiteit. Dat geeft spanning ja, en spanning in kunst is goed, maar dit is meer een ander soort spanning, die van het onhandig geschilderd zijn. Blanco kijken de inwisselbare dames uit hun koket geschilderde amandelvormige ogen, in een altijd desolaat landschap met scherpe schaduwen die Delvaux afkeek van De Chirico, maar zonder diens gevoel voor magie over te kunnen nemen.

Op een gegeven moment vraag je je zelfs af of die klassieke zuilengalerijen echt zoveel functie hebben in de vervreemdende sfeer, of dat ze er soms vooral staan omdat hij anders het perspectief niet kloppend kreeg en de boel te soepig zou worden. Dan heb je nog liever dat hij zich eens vergiste en lekker los ging. Maar dat deed hij niet. Wie weet was dat vanwege het psychologische verhaal: dominante moeder, onbereikbare liefde, moeizaam huwelijk. Toch waren er meer mannen die zweterige oksels kregen van vrouwen (Munch, Strindberg) maar die hun doodsangst wel in artistiek begaafde resultaten omzetten. Bovendien, zonder vrouwen was het ook niet opgelost, zoals het Chirico-achtige maar weinigzeggende Palais en ruine uit 1935 laat zien.

Waarom zou hij dan toch zo beroemd zijn? Misschien omdat er een groots en meeslepend verlangen in zit en omdat hij zoveel verenigde van wat ertoe deed in die tijd. Hij kende de avant-gardes en hij citeerde tijdgenoten volop – soms succesvol. Eerst bracht hij sfeervol stoom en mist samen zoals in het Belgische expressionisme, daarna schilderde hij een prachtig viaduct in de sprookjesachtige naïviteit van Rousseau, toen leende hij de langgerekte gezichten van Modigliani maar voerde die net zo flets uit als zijn Dufy-achtige litho’s. Had hij dan minder naar tijdgenoten moeten kijken? Nee. Want het geeft variatie en sommige odes zijn echt zeer geslaagd, al blijft hij merendeels in de schaduw van zijn voorbeelden staan. Het blijft een wat doodse bedoening – wat die skeletten een goede vondst maakt. Zo leert zijn werk ons onbedoeld waarom het maar beter is dat we dromen in onze slaap. Dromen kunnen namelijk erg slaapverwekkend zijn.