Recensie

Abstractie uit west en oost

Modernisme Het Van Abbemuseum brengt een overzicht van de Brits-Pakistaanse kunstenaar Rasheed Araeen. Een correctie op de vertrouwde sociale matrix, volgens directeur Charles Esche.

Rasheed Araeen, Sculpture No 3, 1965 (reconstructie 2017) Courtesy Rasheed Araeen

‘Ik zou als een pottenbakker willen zijn. Want een pottenbakker denkt niet aan ideologie of politiek.” Rasheed Araeen (1935, woont en werkt in Londen) zit gevangen, zegt hij in een recent interview, in het dilemma tussen artistieke vrijheid en politiek engagement. Deze tweespalt tekent heel zijn oeuvre. Zijn aspiraties als modernistische kunstenaar werden in de jaren zestig en zeventig gefrustreerd omdat hij, als Pakistaanse immigrant, geen toegang kreeg tot westerse kunstinstellingen.

In de inleiding van de tentoonstellingscatalogus spreekt directeur Charles Esche namens het Van Abbemuseum een ‘mea culpa’ uit voor het “negeren van vrouwelijke en niet-westerse kunstenaars” in de geschiedenis van het museum. Het Van Abbe richtte zich uitsluitend op modernistisch werk van witte mannelijke kunstenaars. De kunstwereld „weigerde te luisteren naar stemmen buiten de eigen vertrouwde sociale matrix”. Pas nu, stelt Esche, begint dit enigszins te verschuiven.

Araeen brak zo’n 15 jaar geleden uiteindelijk toch door met zijn werk, dat sindsdien deel uitmaakt van het postkoloniale discours in de kunst. Het wordt wereldwijd getoond op biënnales, dit jaar deed Araeen mee aan de Documenta. Hij wordt vertegenwoordigd door vier vooraanstaande galeries, van New York tot Hong Kong. Deze galeries hebben ook de tentoonstelling in het Van Abbe en de oeuvrecatalogus mogelijk gemaakt.

Het is Araeen zeker gegund. Maar het door Esche geschetste beeld verdient nuancering. Esche zit immers, met het Van Abbe, middenin een hedendaagse ‘sociale matrix’ die inmiddels net zo vertrouwd en zelfbebestigend is als voorheen de ideologie van het modernisme. De matrix waar Esche toe behoort, met bijbehorende kunsthandel, dicteert opnieuw welke kunst er wel en welke kunst er niet bijhoort. Het ‘mea culpa’ van Esche, dat een schaduw werpt over het werk van zijn voorgangers, krijgt daarmee iets schijnheiligs. Temeer daar een van die voorgangers, Jean Leering (directeur van 1964 tot 1973), meer dan wie ook sociaalmaatschappelijke tegenstellingen op scherp heeft gesteld en zich heeft ingespand om het Van Abbe een museum voor iedereen te laten zijn. Zijn revolutionaire museumbeleid leidde tot zijn vertrek als directeur.

Araeen begon zijn artistieke carrière in Karachi, tijdens zijn opleiding tot ingenieur. Hij schilderde abstraherende portretten, straatscenes en voorstellingen van boten in de haven. In 1964 verhuisde hij naar Londen. Daar maakte hij kennis met het werk van Anthony Caro: stalen structuren van aan elkaar gelaste industriële onderdelen. Araeen besloot dat hij een modernistische kunstenaar wilde zijn.

Rasheed Araeen, Opus F3, 2014

Courtesy Rasheed Araeen

Sculpture no.1 (1965/2017) bestaat uit vier roodgeschilderde stalen balken, liggend op de grond, samen vormen ze een vierkant van 183 bij 183 centimeter. Hierop volgde First Structure (1966), een kubus (25 x25 cm) van blauw geschilderde latjes. Dit is het eerste werk in een levenslange productie, tot vandaag aan toe, van kleurrijke latjesstructuren samengesteld uit horizontalen, verticalen en diagonalen, in hout of metaal. De geometrie en symmetrie van deze objecten belichamen voor Araeen een universeel, modernistisch ideaal van democratie en gelijkwaardigheid.

In deze vroege jaren was Araeen niet politiek of maatschappelijk bewust. Dat begon pas toen hij, nadat hij al ervaren had dat hij geen huurwoning kon vinden – op de deuren hingen bordjes met ‘No Blacks, No Coloureds’ – , begin jaren zeventig begreep dat geen enkele galerie of kunstinstelling bereid was om zijn beelden te tonen. Modernisme en minimalisme waren voorbehouden aan witte, Engelse en Amerikaanse mannen. Het was een kwestie van genealogie, van deel uit maken van de correcte kunsthistorische stamboom, teruggaand op de Stijlbeweging en het Constructivisme aan het begin van de twintigste eeuw – een stamboom zoals Caro die wèl had. Modernistische kunst van een Pakistaan was niet legitiem.

Black Panther

Zo begon zijn strijd tegen de westerse kunstwereld, en breder, tegen racisme. ‘Modernisme’ kreeg voor hem een nieuwe betekenis: niet langer die van universele democratie maar van Brits imperialisme. In 1972 werd Araeen lid van de militante protestbeweging Black Panther en in 1975 schreef hij in zijn Black Manifesto: „De dominantie van de Europese beschaving is een van de meest catastrofale ontwikkelingen in de geschiedenis van de mensheid, omdat andere culturen en beschavingen hiermee vernietigd of onderdrukt zijn.” In 1978 richtte Araeen het tijdschrift Third Text op, waarvan hij tot 2011 hoofdredacteur zou zijn. Third Text, dat weldra breed gelezen werd, was een platform voor zwarte immigranten en intellectuelen in hun strijd om gelijkheid. Een herwaardering van het begrip ‘négritude’, ontstaan in de jaren dertig, stond centraal en betekende de verdediging van ‘zwartheid’ als essentiële bijdrage aan een wereldwijde, post-westerse moderniteit.

Courtesy Rasheed Araeen

Araeen werd een activistische kunstenaar en zijn activisme werd, zoals hij nu zegt, een obstakel in zijn zoektocht naar artistieke autonomie en schoonheid. Toch bezit juist zijn politiek-geëngageerde werk uit de jaren zeventig en tachtig overtuigingskracht. Zoals For Oluwale (1971-1975), een serie van vier panelen met collages van krantenknipsels, gemaakt na de dood van de Nigeriaanse immigrant David Oluwale, die verdronk na intimidatie door de politie. Paki Bastard’ (Portrait of the Artist as a Black Person (1977/2016) is een diavoorstelling waarin Araeen figureert als schoonmaker in een restaurant, afgewisseld met beelden van zijn familie in Pakistan en van een staking van immigranten voor betere arbeidsvoorwaarden in Londen. Tussendoor zijn dia’s van zijn sculpturen te zien. De woede die uit deze werken spreekt geeft ze een urgentie die nog steeds voelbaar is.

Islamitische cultuur

In het late werk is Araeenn teruggekeerd naar de schilderkunst. De Homecoming Series (2012-2014) is een reeks kleurrijke, abstracte schilderijen volgens het rasterprincipe van de sculpturen. Met dit verschil dat de patronen niet langer verwijzen naar het westerse modernisme, maar naar de Islamitische cultuur van meer dan duizend jaar geleden. Daar was de geometrische abstractie tot grote hoogte gestegen, in architectuur en beeldende kunst.

Araeen worstelt nog steeds met de uitersten van politiek engagement en esthetiek, en niet altijd met succes. Het werk Zero to Infinity (2004/2017) is een simplistische uiting van ‘participatiekunst’, met de uitnodiging aan bezoekers om te ‘spelen’ met geometrische kubussen door deze in steeds wisselende formaties neer te zetten. De intellectuele zoektocht van Araeen dwingt respect af. Maar de vanzelfsprekendheid van het maken van dingen, zoals van de pottenbakker, is hem niet gegeven.

Correctie (12-1-2018): In een eerdere versie van dit stuk was de naam Araeen een aantal keer geschreven als Areaan. Hierboven is dat aangepast.