Van meisje naar jongen: zo vertel je dat aan je klas

Genderkinderen Gert Bekendam helpt sinds zijn pensionering scholieren bij hun coming-out als ze besloten hebben van geslacht te veranderen. „Mijn agenda is voller dan toen ik nog werkte.”

De Nederlandse fotografe Sarah Wong portretteert al sinds 2003 genderkinderen: kinderen die hebben besloten van geslacht te veranderen. Samen met journaliste Ellen de Visser (de Volkskrant) publiceerde ze zes jaar geleden het boek Genderkinderen – geboren in het verkeerde lichaam, waarvan de Britse editie wereldwijd tot publicaties leidde.

Op deze foto, getiteld Butterfly Tableau, 2010, staan geen kinderen die in het artikel voorkomen. De fotografe hoopt met het project de bewustwording te vergroten en stigma’s weg te nemen. Foto Sarah Wong

‘Ik begin de les met een moeilijk woord”, zegt Gert Bekendam (66). Hij staat voor een klas van het Mediacollege in Amsterdam en schrijft op het bord: Genderdysforie. „Wie weet wat dat betekent?” Een jongen met donkere krulletjes en een lichtgrijze trui geeft antwoord: een meisje voelt zich een jongen, of andersom. Dat klopt, zegt Bekendam. „Al hebben wij het liever niet over voelen. Iemand is een jongen, geboren in het lichaam van een meisje.”

Vandaag praten we over iets bijzonders, zegt hij en knikt naar Jamie (17), vooraan in de klas, geboren als meisje, maar is een jongen. Vandaag is de ‘coming-out’ en Bekendam helpt de scholier daarbij.

Tijdens de ingelaste mentorles legt hij de klas uit wat genderdysforie is en stelt hij Jamie vragen die ze samen hebben voorbereid. Wanneer wist je dat je eigenlijk een jongen bent? Jamie: „Toen ik vijf was en naar een feestje ging op het Muiderslot. Alle kinderen moesten verkleed als ridders en prinsessen. Ik wilde als ridder, maar dat mocht niet, alle meisjes moesten een prinses zijn. ‘Ik wil geen roze’, zei ik. Probeer maar, het staat je vast heel leuk, zei een moeder. Dat maakte me boos.”

Ze vertelt nog iets. In de puberteit kreeg ze heupen, borsten, werd ongesteld. Gefeliciteerd, zei oma, nu ben je echt een vrouw. „Maar voor mij voelde het helemaal verkeerd.”

Sinds 2006 begeleidt Bekendam, als vrijwilliger bij Transvisie Zorg, genderkinderen bij hun coming-out op school. Eerst deed hij dit naast zijn werk als conrector van het Lingecollege, een grote scholengemeenschap in Tiel. Sinds zijn pensioen in 2013 is het zowat een fulltime baan.

Gert Bekendam. Foto privécollectie Gert Bekendam

Het eerste jaar had hij vier „cliëntjes”, zoals hij ze steevast noemt. Nu, elf jaar later dus, zijn dat er tijdens het schooljaar gemiddeld twee per week. Afgelopen schooljaar hielp hij zo’n zestig tot zeventig kinderen. Dit jaar, van augustus tot november, al 43. „Mijn agenda is voller dan toen ik nog werkte.” Volgens het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie waren er in Nederland in 2015 (meest recente cijfers) zo’n 200 kinderen met genderdysforie. Bij Transvisie Zorg neemt het aantal aanvragen elk jaar toe.

‘Brugklas is goed coming-out moment’

In 2005 hoorde Bekendam voor het eerst het woord ‘genderdysforie’. Op het Lingecollege kwam een aanmelding binnen van een meisje dat op de lagere school als jongen naar school ging. Hij maakte een draaiboek, een protocol over hoe daar als school mee om te gaan. Elk kind moet zich veilig voelen op school, vindt hij. Dus hij dacht na over ethische en praktische problemen: gaat dit kind naar het jongens- of meisjestoilet, in welke kleedkamer kleedt zij zich om, hoe informeren we klasgenoten en hun ouders? Vrij snel kreeg hij de vraag of hij op andere scholen wilde vertellen hoe hij dit had aangepakt.

Voor kinderen met genderdysforie reist hij nu heel Nederland door – afgelopen maand was hij in Zwolle, Zeist, Zoetermeer. De meeste kinderen die hij begeleidt zijn tussen de elf en dertien jaar. „De brugklas is een goed moment voor de rolwisseling: nieuwe school, nieuw begin. Veel kinderen weten het al sinds ze vier, vijf jaar zijn.”

Ze hebben veel aan hun hoofd, zijn op hun twaalfde bijvoorbeeld al bezig met de vraag of ze kinderen willen of verkering

Wat Bekendam bij nagenoeg alle kinderen merkt: ze zijn ongeduldig. Voor de coming-out in de klas zijn ze erg zenuwachtig; ze slapen slecht, zweten, huilen soms tijdens het voorgesprek, maar kunnen niet wachten tot het hoge woord eruit is. Tot het geheim geen geheim meer is. „Genderkinderen willen zo graag zijn wie ze behoren te zijn. Soms denken mensen dat ze het zichzelf aanpraten, maar dat is onmogelijk. Dit zit zo diep, dat kun je niet acteren.”

Rond de puberteit gaan kinderen vaak een traject in bij het VUmc in Amsterdam, het enige ziekenhuis in Nederland waar genderkinderen worden behandeld. Als na ellenlange vragenlijsten en meerdere gesprekken (met psycholoog, gynaecoloog, uroloog en kinder-endocrinoloog) is bepaald dat er sprake is van genderdysforie, starten ze met puberteitsremmers. Die leggen, het woord zegt het al, bepaalde lichamelijke ontwikkelingen die gepaard gaan met volwassen worden stil; meisjes krijgen geen borsten en worden niet ongesteld, jongens krijgen geen baardgroei en geen lagere stem.

Het geheim houden is een slecht idee, zegt Bekendam. Vaak zijn deze kinderen het mikpunt van pesterij, maar na de bekendmaking krijgen ze steun. Openheid maakt ze juist minder kwetsbaar. „Ik heb eens gezien dat een groepje meisjes na de voorlichting om hun klasgenoot ging staan, zo van ‘je bent welkom bij ons’. De volgende dag komt zo’n kind voor het eerst met nagellak op naar school.”

Vervelende puberopmerkingen

Een coming-out loopt niet altijd zo soepel. Pubers kunnen vervelende opmerkingen maken („Dit is zeker een excuus om onze kleedkamer binnen te dringen?”) en moeilijke vragen stellen („Je was een meisje dat op jongens viel, als je straks een jongen bent, val je dan nog steeds op jongens? Ja, oh, dus je was eerst hetero en straks homo.”)

Zijn doel is de klas informeren – goed uitleggen wat genderdysforie is – en begrip kweken. Het is belangrijk om zo snel mogelijk een band met de klas te krijgen. En daar heeft hij zo zijn trucs voor: een grapje, zelfspot, een „domme” vraag. Hij staat sinds zijn 21ste voor de klas. Docent geschiedenis. Na veertien jaar werd hij conrector en dat heeft hij 23 jaar gedaan. Twee jaar voor zijn pensioen wilde hij weer lesgeven. Collega’s fronsten de wenkbrauwen, wie gaat er na zoveel jaar nog voor de klas staan? „Ze dachten dat er ruzie was binnen de directie, maar dat was niet zo. Ik wilde eindigen waarmee ik was begonnen.”

In het lokaal voelt hij feilloos aan wat „de lastige groepjes” zijn. „Ik richt mijn pijlen op de jongen die achterover leunt, die onderuitgezakt in zijn stoel zit.” Of op twee kletsende meisjes. Als ze grinniken, zegt hij: „Aha, jullie weten er blijkbaar meer vanaf. Deel dat maar even met de groep.” Daarna is meteen de aandacht weer terug.

Al acht jaar vecht Karin Blankenstein voor homoacceptatie in de sport. „We lijden in Nederland aan schijntolerantie.”

Er wordt altijd gevraagd hoe je eerst heette, zegt hij tijdens het voorgesprek tegen Jamie. „Dat gaan we niet beantwoorden, dat maakt je kwetsbaar. Het gaat erom wie je nu bent.”

Zes weken na een coming-out is er een evaluatie, en eigenlijk na één jaar weer, maar dat laatste komt er vaak niet van. Daarvoor is het te druk. Bij Transvisie Zorg is een wachtlijst van een paar weken en bij het VU zelfs tien maanden. „Ook bij het scholenwerk moeten er mensen bij, ik ben nu de enige die dit doet. We hebben al een paar keer geprobeerd iemand op te leiden , meestal ouders van genderkinderen, maar dit werk doe je er niet even bij. En ervaring in het onderwijs is een pré. Als je bijvoorbeeld bankier bent, kun je niet ineens voor een klas staan en bevlogen vertellen over genderkinderen.”

Bekendam blijft het doen zolang zijn gezondheid het toelaat. Hij wil er zijn voor deze kinderen, ze hebben het al moeilijk genoeg. Genderdysforie is niet voor watjes, zegt hij altijd. „Ze hebben veel aan hun hoofd, zijn op hun twaalfde bijvoorbeeld al bezig met de vraag of ze kinderen willen of verkering.”

Lees ook het opiniestuk van Mounir Samuel: Mijn bestaan roept ook vragen over uw wezen op

Van alle kinderen die hij begeleidde, heeft hij het maar één keer meegemaakt dat een kind na twee jaar besloot: toch weer anders. Dat kan. Puberteitsremmers zijn omkeerbaar: als een meisje ermee stopt, krijgt ze alsnog borsten en wordt ongesteld.

Doet hij dingen nu anders dan elf jaar geleden? Ouders zijn niet bij de coming-out in de klas, ervaring leerde dat het niet verstandig is. „Ouders zijn veel te emotioneel en bovendien weet je niet hoe een klas reageert. Als een puber iets vervelends zegt over je zoon of dochter, is dat voor een ouder niet leuk om te horen en kan een reactie onvoorspelbaar zijn.”

Wat hij ook niet doet is het kind laten beginnen. „Soms zegt een kind: ga jij maar achterin zitten, maar daar begin ik niet aan. Ik wil eerst een sfeer van begrip creëren in de klas.”

Nu de klas van Jamie het weet, bespreekt Bekendam een aantal struikelpunten die nu kunnen gaan komen. Naar het toilet gaan is voor genderkinderen een hel. De gymles is ook lastig: welke kleedkamer kies je? „Wat wil jij, Jamie?” vraagt hij. „Ik weet het niet.” Het liefst bij de jongens omkleden, maar dat vindt Jamie ook eng. Een van de jongens zegt: „In het begin zal ik het raar vinden. Maar het is een kwestie van accepteren, toch.”

    • Carlijn Vis