Column

Enkelt ei

We hadden in het dorp een oppas gevonden. Wij vroegen: „Wat wil je eten?” Ze antwoordde: „Ik eet op zaterdag enkelt ei. En witbrood.” Ze was de hele zaterdag beschikbaar en trapte direct na binnenkomst geroutineerd de schoenen uit.

We wensten de oppas en de kinderen veel plezier met elkaar en vertrokken naar Amsterdam, de stad die we hadden verlaten voor ruimte en frisse lucht.

Het was vreemd om weer met elkaar te zijn, zonder continu op te hoeven letten. Een paar uur eerder was de oudste in de Vomar nog door de bodem van haar wagentje gezakt, waarna ik haar dubbelgeklapt aantrof bij de olijfolie.

„Die is kapot”, constateerden ze bij de kassa toen ze me met het karretje zagen slepen.

Dat waren dan de belevenissen.

De stad leek groter geworden sinds we haar hadden verlaten. Vreemd, in de bijna twintig jaar dat ik er woonde, had ik nooit aandrang gehad om op zaterdag door het centrum te lopen, maar nu vond ik alles leuk. Zelfs de Bijenkorf tijdens uitverkoop.

Ik slenterde tussen de kledingrekken.

„Heeft u ook truien?”, vroeg ik aan een verkoopster die me aankeek alsof ik een gevaarlijke gek was. Bij de kapsalon tegenover het nieuwe huis hadden ze me per ongeluk asymmetrisch geknipt. Ik had 5 euro korting gekregen en het advies om mijn hoofd de eerste dagen een beetje scheef te houden.

„Ik ben verknipt”, legde ik uit. „Ik kom uit een dorp.”

Onafhankelijk van elkaar bleken we beiden een grijze trui te hebben gekocht, die we ook nog eens alle twee hadden aangehouden. Daarna bladerden we bij de boekhandel door wat boeken en gingen we bij een interieurwinkel op een bank zitten. We sloten af in een bruin café, waar we bier bestelden en in onze grijze truien anoniem naast elkaar in onze nieuwe boeken gingen kijken. Heerlijk, zo zonder dorpelingen die praatjes over niets kwamen maken.

Het was nog niet uitgesproken of er ging een echtpaar aan het tafeltje naast ons zitten in wie we de warme bakker en zijn vrouw herkenden. Ze hadden net als wij alle twee een grijze trui aan en begroetten ons met een welgemeend: „Nee, toch?”

Ik kwam niet verder dan: „Ook toevallig.”

Thuis was de droogmolen in de achtertuin omgewaaid, had de oudste dochter samen met de oppas zes eieren gegeten en was de afstandsbediening van de televisie kwijt.

Volgende week is het weer zaterdag, misschien dat we dan weer onze grijze truien aan doen en met het hoofd een beetje scheef naar de stad gaan.

Net als de rest.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.