Een lavendelblauwe tas in de sneeuw

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over periwinkle, de lievelingskleur van een oude dame.

Een stukje winterhemel lijkt zich te weerspiegelen in de verse nieuwjaarssneeuw. Als ik dichterbij kom, herken ik de handtas van de deftige dame die een eindje verderop woont. Een model dat vijftig jaar geleden in de mode was, gemaakt van blauwe en violette ribstof.

Ik besluit hem meteen terug te brengen. Wanneer ik over de oprijlaan naar haar gigantische huis loop, vraag ik me af of ze er wel is.

Het ziet er verlaten uit. Maar ergens brandt een lamp en uit de schoorsteen komt een sliertje rook. Ik bel aan, maar ze doet niet open. Ondertussen trek ik mijn muts dieper over mijn voorhoofd. De kou doet pijn aan mijn huid.

Wat nu? Ik kan de tas toch moeilijk op de stoep leggen. Wie weet is er wel iets met haar aan de hand. Ze is een alleenstaande weduwe van ver in de tachtig. Als een vos sluip ik om haar huis heen.

Ik tuur de keuken binnen. Een half brood op tafel, een rimpelige appel op de fruitschaal. Ik roep haar naam.

Dan komt ze aanlopen. Een frêle gestalte, gehuld in een zwarte maillot en een zwarte coltrui met daaroverheen een tot de draad versleten kamerjas.

Ik zwaai naar haar en houd ondertussen haar tas omhoog. Ik schrik van de blik van verwarring in haar lichtblauwe ogen voordat ze me herkent.

„Ik kom eraan”, roept ze en loopt naar de deur.

„Gelukkig nieuwjaar”, zeg ik. Terwijl ik haar dicht tegen me aandruk, til ik haar als vanzelf even op. Ze is licht als een kind. Met de tas in haar hand fleurt haar gezicht op. Voor een enkel ogenblik is ze weer het beeldschone meisje van de foto op het dressoir in de gang.

„Hij moet uit mijn handen gevallen zijn”, zegt ze, terwijl ze mijn blik mijdt. Haar adem bevriest in de lucht. Binnen in huis is het nauwelijks warmer dan buiten.

„Doet je verwarming het wel?”, vraag ik.

„Natuurlijk”, zegt ze, met een wegwuivend gebaar, „maak je over mij geen zorgen, lieverd. Kom, ik maak thee voor je.”

In de donkere keuken zet ze een kopje oude thee in de magnetron.

„Heb je genoeg eten in huis?” vraag ik.

„Ik heb meer dan genoeg”, zegt ze. „Op mijn leeftijd heb je niet zoveel meer nodig.”

Op een antiek bureau in een hoek staat een lijmpot, zo een met een kwastje in het deksel, die ik sinds de kleuterschool niet meer heb gezien. Van oude wenskaarten is ze nieuwe aan het maken.

Een parkiet met lavendelblauwe veren zit in een openstaande metalen kooi.

„Dit is Periwinkle”, zegt ze terwijl ze hem liefkozend streelt. „Hij is genoemd naar mijn lievelingskleur. We passen goed op elkaar.”

„Ik moet weer verder”, zegt ze, plotseling nerveus. „Het nieuwe jaar is al begonnen en ik heb nog lang niet alle kaarten klaar.”

„Geen zorgen hoor”, drukt ze me op het hart als ik weg ga. „Ik red me prima.”

Beschroomd laat ik haar achter.

Op de terugweg passeer ik de plek waar haar tas lag. De stof heeft de sneeuw zacht blauw-paars gekleurd. Periwinkle.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong