Column

Dochter, drink toch niet

Niet meer drinken kan ook een voortreffelijk voornemen voor het nieuwe jaar zijn. Afscheid nemen van het oude jaar met een laatste alcoholische uitspatting – en dan met opgeheven hoofd de geheelonthouding tegemoet. Het is u vast gelukt, ook al is één week vermoedelijk nog te weinig om van succes te kunnen spreken.

Mijn laatste weken van 2017 werden gedrenkt in alcohol, maar dat kwam – echt waar – vooral door de teksten die ik las. Het begon in de boekhandel waar ik in een nieuwe, vierdelige uitgave van de brieven van Ernest Hemingway stuitte op deze mededeling aan zijn uitgever Max Perkins: „Scott Fitzgerald is de eerzaamheid zelve als hij nuchter is en volledig onverantwoordelijk als hij dronken is.”

Even verderop lag een klein, goedkoop boekje dat Drinking heette en vijf verhalen bevatte, afkomstig uit zijn Collected Stories, van John Cheever over drankgebruik. Cheever was een Amerikaanse schrijver van de generatie na Hemingway en Scott Fitgzerald en zelf ook een innemer van de eerste rang.

Toevallig was ik thuis aan een boek begonnen dat al tijden smachtend op mij lag te wachten: de in 2009 uitgekomen biografie van Raymond Carver door Carol Sklenicka. Een meeslepend boek. Over drinken gesproken! Er waren jaren dat Carver weinig anders deed.

Hij was afkomstig uit een arm arbeidersmilieu in de staat Washington en had een vader die te veel dronk. Zoon Ray werd zelf ook een alcoholist toen hij als schrijver van korte verhalen eindelijk begon door te breken. Hij was jong getrouwd en moest een gezin met twee kinderen onderhouden, hoewel hij nog nauwelijks kon leven van zijn eerste gepubliceerde verhalen. Hij verwaarloosde zijn gezin en mishandelde zijn (eerste) vrouw.

Vijf jaar lang, van 1972 tot 1977, was hij vrijwel dagelijks dronken, vaak samen met zijn vrouw. Dankzij zijn literaire talent kreeg hij toch kansen, zoals de docentenbaantjes op kleinere universiteiten. In Iowa City maakte hij kennis met een andere docent, toen die met een leeg glas in de hand bij hem aanbelde en zei: „Neem me niet kwalijk. Ik ben John Cheever. Kan ik wat Scotch van je lenen?” Carver had alleen wodka in de aanbieding, maar dat was ook goed – uiteraard zonder ijs of grapefruitsap.

Dat semester zopen Carver en de veel oudere Cheever zich tweemaal per week laveloos op hun kroegentocht. „Hij en ik deden niets anders dan drinken”, vertelde Carver later, „ik geloof niet dat een van ons ooit de hoes van zijn typemachine heeft gehaald”.

Carver houdt er enkele jaren later mee op als hij beseft dat hij zich naar zijn ondergang zuipt. Dan raadt hij ook collega’s aan de hulp van Anonieme Alcoholisten in te roepen. „Het is een schande als je net als ik je hersens en je talent wegpist, en je hele omgeving met je meesleept.”

Wie hij vooral waarschuwt, is zijn dochter Chris als die ook aan de drank raakt. Hij richt zich tot haar in zijn gedicht ‘To My Daughter’ dat hij tot haar ontsteltenis ook in een bundel opneemt. In de slotregels bezweert hij haar: „Daughter, you can’t drink./ It will kill you. Like it did your mother, and me./ Like it did.”

Hij moest haar beloven niet meer openlijk over haar te zullen dichten, maar dit gedicht handhaafde hij toch in latere publicaties.