Martijn Manders: „We moeten in de Waddenzee niet alles meteen willen opgraven. Voor latere generaties moeten we een soort onderwaterarchief bewaren.”

Foto Bram Petraeus

De Waddenzee ligt bezaaid met wrakken

Archeoloog Martijn Manders promoveerde op het erfgoed dat onder het zand en het water van de Waddenzee verborgen ligt.

Ooit wilde Martijn Manders paleontoloog worden: al op zijn achtste zocht hij in steengroeves naar fossielen. Toen hij moest kiezen werd het archeologie. „Ik kon inmiddels duiken en toen ik over onderwaterarcheologie las, leek me dat heel spannend. Ik heb er nooit spijt van gehad. Iedere keer als ik naar een scheepswrak duik, weet ik dat ik de eerste ben die het ziet. Vaak zijn zeer delicate spullen als kleding en voedsel bewaard gebleven. Dan vertelt een wrak zo veel verhalen over mensen, economie en cultuur!”

Manders deed onderzoek bij Beacon Island in West-Australië, waar in 1629 de Batavia verging, naar wrakken van de slag op de Javazee in 1942 en het VOC-schip de Rooswijk, dat in 1740 verging bij Engeland. Voor zijn promotie-onderzoek bleef hij dichter bij huis: de Waddenzee.

Waarom is de Waddenzee zo interessant als onderzoeksgebied?

„Omdat de Waddenzee rijk is aan erfgoed. Dat komt doordat dit gebied enorm beïnvloed is door de mens: het is een van de meest bedijkte zeeën ter wereld. Dat heeft een enorme invloed op de stroming en dus op de bodem van de Waddenzee. Al voor de VOC-tijd maakte de Waddenzee deel uit van de handelsroute naar Gdansk, waar graan werd gehaald. Bovendien ligt er de rede van Texel, waar veel VOC-schepen voor anker lagen. In de prehistorie is er bewoning geweest op wat nu de zeebodem is en in de vroege Middeleeuwen was het zoutwinningsgebied.”

Wat is er zoal te vinden?

„Er zijn de afgelopen jaren fantastische vondsten gedaan. Een daarvan is het wrak van een simpele koopvaarder uit het einde van de 16de eeuw die we symbool kunnen stellen voor de Nederlandse koopmansgeest. Het schip laat zien dat men in die tijd groter ging bouwen om zo meer lading mee te kunnen nemen, maar het is ook een schip dat slechts een kleine bemanning vergde. Het vervoerde graan uit het Baltisch gebied. Daar kwam het geld vandaan dat werd geïnvesteerd in de VOC. Het schip is, samen met zeker twintig andere schepen, gezonken in de kerstnacht van 1593, tijdens een vliegende storm. Een van de verzekeraars, de koopman-dichter Roemer Visscher, was zo ontdaan over het verlies, dat hij zijn pasgeboren dochter Maria Tesselschade noemde.

„Heel veel ligt nog onder het zand. We hebben nog geen apparatuur om goed in de zeebodem te kijken. Er is een databank van 60.000 locaties in Nederlandse wateren waar ‘iets’ ligt, alleen weten we meestal niet precies wát. Het kan een historisch wrak zijn, maar net zo goed een container of een anker. Wel zijn er steeds betere technieken om wrakken die boven het zand liggen in kaart te brengen, ook als het zicht slecht is.”

Conservering is urgent, zegt u. Maar de Waddenzee wordt toch al beschermd door haar status als Unesco Werelderfgoed?

„Dat is alleen vanwege haar uitzonderlijke natuurlijke waarde, niet wegens de cultuurhistorische waarde. En die is in gevaar. Sinds de Afsluitdijk er in 1932 ligt, erodeert de westelijke Waddenzee door stromingen die tegen de dijk aanknallen, gaan rondtollen en zand verplaatsen. Vanwege de klimaatverandering komt daar nog bij dat het zeewaterpeil stijgt, waardoor andere stromingen en geulen ontstaan. Steeds meer scheepswrakken komen daardoor onder het zand vandaan, wat ze kwetsbaar maakt voor paalworm. Ook vissersnetten maken de wrakken dan kapot. Door op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau beslissingen te nemen wat je wel en niet gaat beschermen, kun je plaatsen aanwijzen waar amateurarcheologen en sportduikers onderzoek kunnen doen. Het probleem is dat een goede waardebepaling meestal zo’n tien dagen veldwerk kost, terwijl er vele honderden, zo niet duizenden vindplaatsen in de Waddenzee zijn.”

Dan bent u nog even bezig…

„Ja, dat werkt dus niet. We moeten ons vooral richten op gebieden: plekken waar veel is gebouwd of gebaggerd kun je als archeologische vindplaats afschrijven. Maar stabiele plekken, op oude handelsroutes en bij gevaarlijke zandbanken, kunnen interessant zijn. Die gebieden houden we in de gaten zodat we, als er een wrak blootvalt, erbovenop zitten. Want onder het zand ligt veel waardevolle informatie: over handel, oorlogen, walvisvaart.”

Maar ook de bescherming van ‘slechts’ een paar honderd vindplaatsen is kostbaar.

„Een van de stellingen in mijn proefschrift is dat de onderzoekscapaciteit voor maritiem archeologisch onderzoek moet worden verdubbeld, omdat Nederland onder water zeker zo rijk is als boven water. Zolang dat niet gebeurt, zijn de keuzes die we moeten maken wel heel extreem. Niet alles hoeft overigens te worden opgegraven. Zo kun je wrakken afdekken en tot een later moment beschermen onder een laag zand dat met gaas wordt vastgehouden.”

Zou het niet het mooiste zijn als er in één keer veel geld beschikbaar kwam om alle wrakken op te graven?

„Nee, als je nu alles opgraaft, doe je dat met de inzichten, de technieken en de vragen van nu. We moeten een soort onderwaterarchief bewaren voor latere generaties.”

Kan de overheid, behalve meer geld geven, iets doen om het maritiem erfgoed beter te beschermen?

„In mijn proefschrift opper ik om vijftig tot honderd scheepswrakken aan te wijzen en als een soort rijksmonumenten onder water te beschermen. Zij moeten een canon voor de Nederlandse maritieme geschiedenis vormen. Voor die locaties moet geld komen om ze te beschermen, te monitoren en, als de bedreigingen te groot worden, op te graven. Zo kunnen we de verhalen van die vindplaatsen tot kijkgaten van onze geschiedenis maken. Want uiteindelijk is dat waar het om gaat bij cultureel erfgoed: de verhalen.”