Voormalig narco Jesús ‘Chuy’ Pérez

Foto José Luis González

‘Ik moordde voor El Chapo’

Jesús ‘Chuy’ Pérez (32) werkte jarenlang voor een van de gewelddadigste drugskartels van Mexico. Van straatdealer klom hij op tot sicario (moordenaar). Inmiddels heeft hij spijt en probeert hij anderen voor dezelfde fouten te behoeden. ‘Ik had zo’n koud hart.’

Zijn carrière als narco begon voor Jesús Pérez op het schoolplein. Een loopbaan binnen een van de machtigste en gewelddadigste drugsbendes van Mexico, waarbij hij opklom van kleine straatdealer tot kartelsoldaat in een bloedige stadsguerrilla tegen rivaliserende narco’s. Een periode in zijn leven waarop hij nu met grote wroeging terugkijkt. „Mijn hart was in die jaren zó koud.”

Het begon dus allemaal op school. „Ik was 15 jaar en kwam bij drie gasten in de klas, die altijd geld op zak hadden. Ik vroeg ze: ‘Hoe komen jullie daar aan?’. Wij verkopen drugs, antwoordden ze. Ik wist niet eens wat het was – ik had een nogal brave jeugd. Ik werd nieuwsgierig en op een dag ging ik na school met ze mee. Ze lieten me de drugs zien. En een kamer vol wapens van hun oudere familieleden. De eerste keer dat ik zo’n wapen aanraakte, was magisch. Ik wil ook drugs gaan verkopen, zei ik.”

Zo trad Jesús Pérez in dienst van Mexico’s grootste drugsbaron: Joaquín ‘El Chapo’ Guzmán Loera. Diens Sinaloa-kartel is zeer machtig, ook al wacht El Chapo (Het Onderdeurtje) zelf sinds begin 2017 in een Amerikaanse cel op zijn proces. Jesús, ‘Chuy’ voor vrienden, ontmoette hem nooit. Maar noemt hem nog altijd ‘El Patrón’ (De Baas).

Chuy doet zijn verhaal op een bank, te midden van Disney-knuffels. Sinds hij zes jaar geleden uit het kartel stapte, trouwde hij en kreeg een zoontje van nu 2. Hij is al een paar jaar in de Heer en woont met zijn gezin en moeder in het achterhuis van een evangelisch kerkje in de noordelijke grensstad Juárez.

Dat hij als scholier zo gretig voor de drugshandel koos, had een reden, vertelt de 32-jarige ex-crimineel. Toen hij negen was, overleed zijn vader. Zijn moeder bleef met hem, zijn broer en drie zussen achter. Rond de tijd dat hij met de dealende klasgenoten begon op te trekken, was zijn broer al van school gegaan om te werken. „Ik wilde ook kunnen bijdragen aan het gezin.”

Zijn eerste klusje werd het verknippen van wiet. Pakketten van een kilo opdelen in kleinere pakjes. Na een tijdje werd ook cocaïne aan hem toevertrouwd. „We kregen het binnen in blokken van een kilo. Die moesten we opdelen in kleinere eenheden: bollen, zo groot als tennisballen ongeveer, daar maakte je dan weer ounces, kwarten, achtsten en halve grammen van.”

Hij begon goed te verdienen. Dat gaf hij eerst uit aan betere kleding, later ook aan bier. Hij kon zakgeld geven aan zijn zussen, broer en moeder. De reumamedicijnen van oma waren ineens betaalbaar. „De rest ging op aan feesten.”

Al snel begon hij de drugs ook te verkopen. Als adolescent verdiende hij zo al tussen de 5.000 en 8.000 pesos per dag. Tegen de huidige koers is dat 250 tot 400 euro. „Destijds was dat nog veel meer.” En, ter vergelijking met eerlijk werk in Mexico: momenteel solliciteert hij naar een baantje bij een supermarkt, voor een salaris van 1.300 pesos (60 euro) per week.

Vijf jaar cel

Toen hij net 18 was geworden, werd hij gepakt. Pérez zat die avond in het pand van waaruit zijn maten en hij dealden. De politie viel binnen en vond behalve drugs ook een lading wapens en munitie. Hij kreeg een straf van vijf jaar cel.

In de gevangenis ging het pas echt mis. De bende waar hij deel van uit had gemaakt nam eerst alleen af van het Sinaloa-kartel. Maar terwijl hij in de cel zat, besloot El Chapo een gooi naar de macht te doen in Torreón. Veruit het grootste gedeelte van de stad stond onder controle van de Zetas, de gewapende tak van het Golf-kartel, die zelfs voor Mexicaanse begrippen als uitermate gewelddadig bekend staat. De Zetas hadden ook de macht over de gevangenis van Torreón.

In de cel zat hij ineens tussen aartsvijanden. Vrienden werden gedood. Zelf werd hij fysiek en psychologisch mishandeld. De gevangenisautoriteiten, omgekocht door de Zetas, grepen geen moment in. „Ik moest me uitkleden, werd geblinddoekt, opgehangen aan het plafond, ik werd in mijn ballen geschopt, er werd met een mes langs mijn keel gegleden, alsof ze me gingen executeren. Ik moest tegen professionele boksers vechten, net zolang tot ik knock-out ging.” Ze lieten hem leven, omdat hij relatief laag in de pikorde stond. „Ze konden me gebruiken als dienstjongen.”

Lees ook Wie in Mexico vermoord wordt, zal wel schuld hebben, een eerdere reportage over de dodelijke drugsoorlog in Juárez

Toen hij na drie jaar en negen maanden wegens goed gedrag vervroegd vrijkwam, was Pérez compleet afgestompt. „Ik wilde nog maar één ding: wraak.” Dus toen hij terugkwam in zijn oude wijk en de lokale leider van het Sinaloa-kartel hem vroeg of hij weer voor hen wilde werken, stemde hij al snel in. Hij kreeg een lijst met namen en foto’s van Zetas, die hij moest afwerken. „Zo begon ik als sicario.”

Doel was niet alleen de eigen wijk te beschermen, maar de hele stad te veroveren op de Zetas. Een bloedige oorlog brak uit, die zou duren van 2007 tot 2010. Pérez vormde met nog circa twintig mannen een moordcommando. In een groep van vier gingen ze eropuit om Zetas te ‘jagen’. In een vluchtauto die ze de bijnaam La Carrucha (het brik) gaven, zochten ze hun vijanden op. „Zag je er een, dan stapten twee van ons uit. Riep je hem, gaf je een genadeschot [door het hoofd, red.]. Poem-poem-poem. De auto in - en weg.”

Martelen

Soms namen ze de Zetas ook mee naar een schuilhuis. „Daar martelden we ze. We hakten hun voeten en handen af terwijl ze nog leefden.” Hun gijzelaars smeekten om hen te laten leven. „Daar gingen we dan zogenaamd in mee, maar alleen om de namen van hun handlangers te ontfutselen of de plekken waar ze hun drugs en wapens hadden liggen.” Uiteindelijk lieten ze niemand leven.

Vaak onthoofdden ze hun slachtoffers. De tegenstander deed dat immers ook bij hun leden. Na een paar keer krijg je daar handigheid in, vertelt Pérez bijna mechanisch. Persoonlijk vermoordde hij zo meer dan tien mensen. In groepsverband een veelvoud van dat aantal. „De lichamen dumpten we ergens of verbrandden we.” Na drie jaar was de oorlog over en was de stad in handen van het Sinaloa-kartel.

Toen de Zetas verjaagd waren, brak een fijne tijd aan. „We hoefden eigenlijk alleen maar op de winkel te passen.” Torreón, in deelstaat Coahuila, is van groot strategisch belang. Het ligt midden op de doorgangsroute tussen de machtsbasis van het kartel en grensstad Juárez, vanwaar de afzetmarkt bediend kan worden: de Verenigde Staten van Amerika.

Hij verdiende veel geld, maar gaf het ook net zo makkelijk weer uit. Het ging op aan auto’s en motoren, maar vooral aan duur leven. Drank, coke, piedra (crack), vrouwen. „Als je dit doet, heb je zóveel vrouwen. Je hebt geld, toegang tot drugs, dat trekt een bepaald slag vrouwen aan”, vertelt Pérez, terwijl zijn ogen even glinsteren. Dat was misschien het aantrekkelijkst, zegt hij. Maar goedkoop was het niet. Zelfs al handel je in grote hoeveelheden drugs, voor eigen gebruik moet ook een narco altijd betalen. „Elke gram blijft van El Patrón.”

Toen ik uit de gevangenis kwam, was ik compleet afgestompt

Zijn moeder was wel ongerust over zijn werk. „Ay, mi hijo, zei ze, waarom doe je dit? Maar dan stelde ik haar gerust: we hebben de wet omgekocht. Maak je geen zorgen. Het is een verslavend leven, net als de drugs die je gebruikt: je wilt altijd meer. Je wilt opklimmen in het kartel. Dat ze je een eigen wijk of verkooppunt geven.”

Het waren uiteindelijk niet de autoriteiten die hem tot de orde riepen, maar zijn eigen bazen. „Nadat de Zetas weg waren, besloten wij – net als zij hadden gedaan – ook met afpersingen te beginnen.” Ze zetten ondernemers een wapen op het hoofd en vroegen ‘beschermingsgeld’.

De kartelleiding wilde daar niks van weten en greep in. Hij werd vastgezet in een schuilhuis van het kartel. „Door de Deltas, dat is een eenheid die nog boven ons sicarios staat. Er lagen daar afgehakte handen op de grond. Er stond een oven, en niet een die bedoeld is om brood mee te bakken.”

Vluchten

Vijf dagen hielden ze hem vast. Vier dagen sloegen ze hem bont en blauw. Op de laatste dag zeiden ze: ‘Je mag niet afpersen. Je doet anders hetzelfde als de Zetas die we net verjaagd hebben.” Toen hij eenmaal vrij was, besloot hij zijn criminele carrière te staken.

Hij vluchtte naar Juárez en zocht weer contact met zijn familieleden, die de deur voor hem hadden dichtgegooid. Hij stichtte zijn gezin en kwam bij de Psalm-100 tempel van kerkleider Carlos Mayorga terecht. Deze Mayorga, een voormalige tv-journalist die veel verslag deed van de drugsoorlog, leidt ook de religieuze actiegroep Ángeles de la Paz (Vredesengelen). De leden betogen regelmatig tegen het criminele geweld in het land. Wit geschminkt en met engelenvleugels gaan ze naar plekken waar net is gemoord of staan ze buiten de gevangenis waar hoge narcos vastzitten. Ze kritiseren openlijk de corrupte autoriteiten die samenwerken met de criminelen.

Pérez leidt nu „een economisch gezien armer leven, maar geestelijk is het rijker. Ik werk nu voor God, niet langer voor de duivel.” Aan sommige van de mensen die hij heeft afgeperst of nabestaanden van de mensen die hij vermoord heeft, betuigde hij de afgelopen tijd spijt. Maar vergiffenis vroeg hij hun niet. „Dat kunnen zij me niet geven, alleen God.”

    • Merijn de Waal