‘Vergeet niet dat je niet de waarheid bekijkt’

Reductionisme

Vinden andere wetenschappers ook dat het reductionisme zijn beste tijd heeft gehad? Hun reacties, aan de hand van vier vragen.

1 Wat is reductionisme?

„Het is de keuze om één bepaald beschrijvingsniveau van de wereld aan te merken als echt”, zegt wetenschapsfilosoof Jan Willem Romeijn van de Rijksuniversiteit Groningen. Ofwel: „Van bepaalde objecten of concepten zeg je dat die zo fundamenteel zijn dat ze een VIP-kaartje naar de metafysica krijgen: ze gaan deel uitmaken van datgene wat er echt is, wat we als waar aannemen. Andere fenomenen worden er daarna uit afgeleid.”

Vaak denken mensen bij reductionisme aan ‘small-ism’, zegt Romeijn : aan het zoeken naar kleinste bouwsteentjes. Daarbij denken ze materialistisch: dat alles uit materie kan worden opgebouwd. Je kan bijvoorbeeld quarks – de kleinste bekende bouwsteentjes van materie – aanmerken als echt en stellen dat je de hele wereld inclusief alle verschijnselen daarin met zulke bouwsteentjes in elkaar kan knutselen. Romeijn: „Daarover kan je discussiëren. Mag je quarks die we nooit direct kunnen waarnemen, wel als echt aanmerken? Of kunnen we enkel van atomen zeggen dat ze echt zijn, of van kerndeeltjes als protonen? Of iets anders, in de werkelijkheid van sociale relaties: zijn daarin die relaties dan niet echt?”

2 Is het tijd voor een andere aanpak?

Met het reductionisme proberen natuurwetenschappers om ingewikkelde systemen te herleiden tot eenvoudige eigenschappen en bouwstenen. Maar: vragen fenomenen die zich misschien niet (makkelijk) laten reduceren – denk in psychiatrie of hersenwetenschap – niet om andere methoden? Spinozaprijswinnaar Eveline Crone die in Leiden met een grote onderzoeksgroep het puberbrein onderzoekt, denkt van niet. „Reductionisme heeft veel gebracht, mijzelf ook en we doen nog steeds grote ontdekkingen.” Reductionisme laat het herhalen van metingen en experimenten toe; dat is een sterk punt. „Bij observaties is dat lastiger. Die zijn vaker particulier en uniek.”

Misschien is reductionisme gemakkelijker bij het bestuderen van een kleine cel of het heelal, denkt Crone. „Toch kan het ook bij het begrijpen van zoiets ingewikkelds als het menselijk brein juist waardevol zijn om eerst een deelproces of deelsysteem in kaart te brengen. Zolang je maar in het achterhoofd houdt dat het inderdaad gaat om een deel van een ingewikkelder geheel. En dat je niet de waarheid observeert, maar dat je een set van gegevens interpreteert.”

3 Zijn de instrumenten de beperking?

„Ik denk dat hersenwetenschappers als Sarah Durston vooral tegen de beperkingen van de technologie aanlopen.” Peter Paul Verbeek is hoogleraar technologiefilosofie in Twente en de relaties tussen mens, techniek en de wereld staan centraal in zijn onderzoeksgroep.

Net als de zintuigen (neem onze ogen, die maar een klein deel van het lichtspectrum zien) zijn meetinstrumenten selectief en beïnvloeden ze de ervaring van de werkelijkheid. „Zelfs Freud werkte in een instrumentele setting: met een stoel en een sofa waarop patiënten vrijuit met hun onbewuste in contact konden treden. Die setting was ingegeven door zijn ideeën over patiënten én bepaalde hoe hij hun verhalen interpreteerde.”

Ook MRI-technieken houden een bepaald beeld in stand: materialistisch (alles komt voort uit hersencellen en structuren) en deterministisch (via oorzaak en gevolg koppel je een oplichtend hersengebied aan een activiteit in de hersenen). „Dat je zo de kloof tussen brein en bewustzijn niet kunt overbruggen, komt volgens mij niet doordat de reductionistische onderzoeksmethode sleets is”, zegt Verbeek. „Ik denk dat we meer oog moeten hebben voor hoe instrumenten onze interpretatie van de werkelijkheid door meetinstrumenten vormgeven.”

4 Hoe kijk je breder in de praktijk?

Peter-Paul Verbeek, Eveline Crone en Jan –Willem Romeijn zijn drie van een grotere groep wetenschappers die met Sarah Durston mee discussieerden over haar kritische kanttekeningen bij de wetenschappelijke methode en het wetenschapsbedrijf. Zelf denken ze ook na over de interpretatie van meetgegevens en hun perspectief op de werkelijkheid.

Crone probeert bijvoorbeeld lessen te trekken uit reacties van haar ‘onderzoeksobjecten’. „Zo dachten wij dat pubers risicogedrag vertoonden omdat het beloningssysteem in hun brein heel gevoelig is. Nou ja, zeiden pubers zelf, alsof we allemaal de straat afschuimen op zoek naar prikkels! We zagen toen in dat maar een klein deel van de pubers risico’s zoekt, en begrepen dat een scherp afgesteld beloningssysteem ook belangrijk is bij het ontwikkelen van vriendschappen.”

Romeijn denkt als filosoof wel eens mee over aanpassingen in het handboek voor de psychiatrie, de DSM. „Hoe koppelen we inzichten op het niveau van hersencellen en hersenactiviteit aan symptomen op het niveau van de hele mens? Dan speelt het denken over kennisniveaus en reductionisme natuurlijk een grote rol.”

Onderzoekers uit de groep van Verbeek zullen intussen meelopen met Durston als die in haar lab vol MRI-technologie ontwikkelingsstoornissen als ADHD en autisme bestudeert. Zo willen ze bekijken hoe de MRI-technologie de taal in het lab, de concepten en diagnoses beïnvloedt – dat past bij hun onderzoek naar de rol van technologie bij het interpreteren van de werkelijkheid.

    • Margriet van der Heijden