Column

Toiletvrees

Tegelijk met de explosieve groei van het aantal nieuwe restaurants in Rotterdam – die ik nou eenmaal allemaal bezocht wil hebben – heb ik de afgelopen jaren een zekere angst voor onbekende toiletten ontwikkeld. Geen smetvrees, maar eerder een soort faalangst. Zelfs een simpel plasje doen, gaat tegenwoordig met een hoop stress en ongemak gepaard. En dat heeft dus niks te maken met de hygiëne van die toiletten, want die is meestal prima in orde, maar met de eigentijdse wc als zodanig. Je stapt per slot van rekening een onoverzichtelijke en ingewikkelde wereld van hi-tech binnen. Of het nou gaat om kranen, handendrogers, doortreksystemen, wc-papierhouders of brillen: je weet nooit waar je aan toe bent, want geen systeem werkt hetzelfde. Na een zoektocht naar de verlichting (in of buiten de wc, met of zonder sensor?) kun je vervolgens uitvogelen hoe of het doortreksysteem ditmaal bereid is te functioneren.

De drukknop (of twee, één voor het milieu en één voor de grote boodschap) kan natuurlijk gewoon in het waterreservoir verwerkt zijn, maar voor hetzelfde geld is hij verstopt achter de wc-bril of moeilijker nog, in de muur. Maar het kan net zo goed zijn dat je nog verder moet zoeken en dat onder of naast het toilet een soort hengsel of stang blijkt te zitten, die je moet indrukken dan wel in- of aantrappen. Of het betreft – en dat zijn de allerergste – een automatisch doorspoelsysteem dat je laat raden hoe het precies in werking wordt gesteld. De ene innovatie stort zijn water al onder je uit terwijl je nog boven de pot hangt, een ander trekt pas door (of niet?) wanneer je de toiletdeur weer opent en sluit.

Als het toiletbezoek zelf dan eindelijk volbracht is, begint de volgende intake: handen wassen. Ook hier hetzelfde verhaal. Het minutenlange gemorrel aan zo’n strak vormgegeven kraan bijvoorbeeld. Is er een knop, een draaisysteem, een sensor, een voetenknopje misschien? En dat je dan met die vieze handen je peperdure handtas even in de wasbak zet om je lippen te stiften en dat die kraan dan ineens wél begint te lopen.

Derde proef op de som: het drogen van de handen. Dat kan met papieren doekjes van zo’n rol, maar die rol blijft steevast ergens in dat apparaat steken en geeft sowieso maar één lullig velletje per keer. Ook die katoenen rollen zijn een drama, want aan het einde van zo’n rol kun je niet anders dan je handen – net als je tien, twintig, dertig voorgangers? – aan zo’n vies, nat stuk doek afvegen. Zelfs die elektrische handdrogers zijn niet te vertrouwen. De ene sensor (ook die van die hypermoderne tosti-ijzers waar je je handen tussen moet steken) reageert op een langzame beweging, de andere juist weer op hysterisch heen-en-weer-gezwaai. Aan je broek of jurk afvegen is een allerlaatste noodoplossing, want laat altijd vreemde, natte plekken na waar je onherroepelijk vragen over krijgt.

Je zult ook altijd zien dat je de verkeerde deur naar de uitgang pakt, en weer op een toilet staat, in een bezemkast terecht komt of per ongeluk de keuken binnenloopt.

En altijd weer diezelfde, weinig inlevende vraag bij terugkomst: „Waar bleef je toch?”

Mirjam de Winter (@mirjamdewinter) is freelance journalist en stadsgids in Rotterdam.