Nederlandse creativiteit, Duitse discipline

Peter Hyballa

De clubloze voetbaltrainer Peter Hyballa (43) is dwingend. Hij eist mensen om zich heen met een hoog IQ, die het liefst dag en nacht willen werken. Zijn credo: „Wie Peter Hyballa wil, krijgt Peter Hyballa."

„Trainers hebben ook een ziel. Peter Bosz krijgt misschien een miljoenenpremie mee, maar het raakt hem wel als duizenden supporters hem uitschelden.” Foto Pim Ras/VI Images

Peter Hyballa is een alfadier. Zegt hij zelf. Want wie laat zich op zijn 23ste naar Namibië zenden om het evangelie te verspreiden van een van de grootste voetballanden ter wereld? Ver van huis, onervaren en alleen, op een plek waar tientallen coaches zich hadden verzameld voor een gastles uit het land van Beckenbauer, Matthäus en Völler, gegeven door een onbekende twintiger die een videoband in de recorder deed en hen onbeschroomd vertelde hoe ze training konden geven.

„Stond ik daar in de bush tegenover tachtig trainers. Anderen zouden het misschien eng vinden, ik niet. Toen de oprichter van een jeugdvoetbalschool mij vroeg omdat hij niet kon, zei ik oké. En toen ging ik. Waarom niet?”

Wie Hyballa wil definiëren, komt al snel uit bij die zelfverzekerdheid en zijn expressieve manier van praten. Drukke gebaren, impulsieve mimiek. „Als oud-profs met honderd interlands hun mening geven, is dat normaal”, zegt hij. „Bij mij denken ze: huh, wat doet hij? Mensen horen mij praten alsof ik óók honderd interlands heb gespeeld.”

En dat is niet zo. Hyballa is een selfmade trainer. Een autodidact met een universitair diploma (bewegingswetenschappen, pedagogiek en psychologie), die zich stap voor stap omhoog werkte via het Duitse jeugdvoetbal. Hij trainde amateurs, leidde toekomstige wereldkampioenen op bij Borussia Dortmund, werd later de jongste hoofdtrainer in het Duitse profvoetbal bij Alemannia Aachen (tweede Bundesliga), terwijl hij tussendoor columns en boeken schrijft.

Zijn volgende boek komt uit in maart. Over nieuwe spelvormen, met meer vrijheid. „Nederlanders denken heel vaak in vaste systemen, zijn weinig flexibel. Voor het boek heb ik e-gamers opgezocht en die vertelden me dat ze vrij willen zijn. Waarom denk je dat Ten Hag trainer van Ajax wordt? Omdat hij anders is.”

Hoewel hij altijd al Nederlands sprak, dankzij zijn Rotterdamse moeder, een vrije geest die trouwde met een intellectuele en gelovige zeemanspastoor uit Duitsland, werd Hyballa in Nederland pas bekend toen hij in 2016 hoofdtrainer werd bij NEC. Daar werd hij een klein jaar later ontslagen, twee wedstrijden voor het einde van het seizoen. Ondanks meerdere sollicitatiegesprekken is zijn status sindsdien onveranderd: clubloos.

We hebben afgesproken in Dortmund, in het nationale voetbalmuseum van Duitsland waar Hyballa eens naartoe wilde. Overal blinkende bekers. Projecties van ontelbare doelpunten. Vitrines met ongewassen tricots. Op een ervan staat de naam van Mario Götze. „Kijk, mijn oude pupil bij Dortmund.” Verder laat de Duitse schatkamer hem onberoerd. Wie drie keer is ontslagen en niet weet waar en wanneer een herkansing volgt, verliest al snel oog voor de romantiek van het spel. Van binnen vraagt hij zich af: „Ben ik nog wel up-to-date genoeg?”

De stress in het trainersvak is hoog, zegt hij later. „Bij een nieuwe club is het alsof je alleen de disco binnenstapt. Zeker in een ander land, met een andere taal. Bij grote trainers is dat anders, die hebben soms vijf man met zich mee. Zij dekken elkaar. Alleen moet je vijf keer zo sterk zijn. Alsof je werkt met een pistool tegen je hoofd. Jij gaat eruit als je verliest, de directeuren en cultuurbewakers blijven lekker zitten. Een luie fysio wordt nooit ontslagen.”

Dat proces is niet alleen aan de voetbalwereld voorbehouden. „Als er bij jullie een nieuwe baas komt, van buiten, die zegt dat alles anders moet, hoeveel journalisten zouden dan twee vingers in hun neus doen en het wel even zien? Wie moet er weg als het niet goed gaat? De baas. Mensen willen vaak geen verandering.”

Confrontatie met de harde kern

Hij was kapot van zijn ontslag bij NEC. Wat zijn doorbraak in het Nederlandse voetbal had moeten worden, eindigde na een thuisnederlaag tegen Excelsior met een confrontatie tussen hem en de harde kern. Hij: de loser die zijn rug recht hield. Zij: verontwaardigde hooligans. Hij zag de haat in hun ogen. ‘Oprotten Hyballa!’ Maar hij rotte niet op. Hij klom op een muurtje en nam het woord, zonder steun van wie van NEC dan ook. Twee dagen later stuurde de club hem weg.

„Achteraf heb ik om mezelf gelachen zoals ik daar met die fans sprak. Wat doe je nu toch Peter?”

Toch voelde hij zich wel degelijk in de steek gelaten, erkent hij nu. Eerder stonden er al dertig supporters in de kleedkamer voor de wedstrijd tegen FC Twente. „Ik ben een denker, dus ik dacht meteen: hoe zijn die binnengekomen? Er was geen deur geforceerd, dus had iemand ze binnengelaten. Daar heb ik heel veel problemen mee. Normaal zei ik tegen spelers: laat de buitenwereld gaan. Maar nu stond de buitenwereld in onze kleedkamer. Daar was ik heel kwaad over.”

Hij is een slechte slijmer, zegt hij. Hij zegt wat hij denkt. Altijd. Zijn credo: „Wie Peter Hyballa wil, krijgt Peter Hyballa.” Is het niet bij een club, dan wel op televisie, waar hij vertelt dat de omwenteling in Duitsland, waar de pas 30-jarige trainer van Hoffenheim, Julian Nagelsmann, de poorten heeft geopend voor iedereen met trainersambities, ook in Nederland kan plaatsvinden. Mits we ervoor openstaan.

„Ik heb als trainer nooit cadeautjes gehad”, zegt Hyballa, wandelend langs de uitgesneden penaltystip waarvandaan in 1990 Andreas Brehme Duitsland in Rome haar derde wereldtitel bezorgde. „Als je dan boven komt, is het door succes, door arbeid. Maar in Nederland is dat vaak niet zo. Hier krijgen oud-internationals privileges. Maar als een verdediger goede tackles maakt, wat heeft dat te doen met 24 man coachen? Met didactiek? Juist voetballers die de cursus nodig hebben omdat ze niet veel naar school zijn geweest, krijgen hun licentie cadeau.”

Hij vertelt hoe het in zijn ogen gaat als bekende spelers hun actieve carrière beëindigen. „De clubheld krijgt de keuze: wordt hij jeugdtrainer, technisch directeur, assistent-trainer of gaat hij scouten? Terwijl vrienden van mij, die al twintig jaar trainer zijn, niet aan de bak komen. Wie dokter wil worden, kan toch ook niet in het achtste semester beginnen? De Nederlandse profcursus kost meer dan 20.000 euro. Dat kunnen gewone trainers toch niet betalen?”

Progressieve collega’s horen hem graag. Zij waarderen het, een buitenstaander die in vloeiend Nederlands een ander geluid verkondigt. Beetje rebels, strijdend voor gelijke kansen – hij is niet voor niets een linkse stemmer. Anderen reageren sarcastisch. Noemen hem laatdunkend voetbalprofessor. Was hij niet die NEC-coach die twaalf van zijn laatste dertien duels verloor? „Na tien maanden word je knettergek van Peter Hyballa”, zei NOS-commentator Arno Vermeulen na zijn ontslag.

In het museum wordt gezucht. Bij beide keren dat Hyballa te gast was bij Studio Voetbal, vroeg hij of Vermeulen ook aanschoof, twee keer was dat niet zo. „Hij heeft nooit met mij gesproken, nooit één training gezien. Wat hij doet is een extra schop geven tegen iemand die al op de grond ligt. Als hij echt zo’n onderbouwde visie heeft en met spelers heeft gesproken, hoor ik het graag. Trek je broek omlaag. Laten we discussiëren. Maar dat doet hij niet.”

Zijn ontslag is een gevoelige kwestie geweest. Anders dan nu gaf hij in de dagen erna niet snel toe dat hij fouten had gemaakt. Je kwetsbaar opstellen doen trainers niet. Die slikken de shit en wachten op een volgend belletje. Althans, dat is wat ze willen uitstralen.

Hyballa wijst naar zijn hoofd: „Trainers hebben ook een ziel. Peter Bosz krijgt misschien een miljoenenpremie mee, maar het raakt hem wel als duizenden supporters hem uitschelden. Je kunt depressief worden met acht euro op de bank, maar ook met acht miljoen. Alleen is de norm dat je geen zwakte toont. Robert Enke die voor de trein sprong, Ralf Rangnick die uitstapte met een burn-out; dat zijn uitzonderingen. Alsof je tegen een jongetje zegt: jij mag niet huilen, omdat je een jongetje bent.”

Kleine ballerina's

„Ik denk dat het percentage burn-outs en drop-outs steeds hoger wordt in het voetbal. Clubs roepen wel dat ze spelers begeleiden, maar dat geldt vooral voor de grootste talenten, die ze omarmen als ze het gehaald hebben. Tegen degene die afvalt zeggen we: doei. Daarom zeg ik tegen jeugdspelers altijd dat ze iets met hun hoofd moeten doen. Vind een vriendin die niks met voetbal heeft, ga naar een museum, lees een boek, volg een studie via internet. Ik wil ze normen en waarden bijbrengen, ik ken het echte leven. Ik was geen superster op mijn 22ste.”

Terwijl hij zelf op die leeftijd niet meer dan een ‘nummer’ was op de universiteit van Münster, ziet hij dat jonge voetballers verwend raken. Hun gedrevenheid ebt daardoor weg. „En het probleem is dat wij ze zelf zo hebben gemaakt. We leiden ze op tot niksdoeners. Ze hoeven geen woning te vinden, worden door de club aangemeld bij de stad. Ze gaan met hun toilettas naar de training, waar ze hun kleren uitschoppen die vervolgens worden opgeraapt door een oude man. Wij maken kleine ballerina’s van ze, en zo gedragen zij zich ook.”

De laatste maanden heeft hij een rondreis gemaakt om in de keuken te kijken bij clubs als Legia Warschau, Macabbi Tel Aviv, Brøndby. Sparren, leren. Nu wil hij langzamerhand wel weer aan de slag. Liefst bij een Nederlandse club, omdat hij het gevoel heeft dat hij hier nog niet klaar is. Hij merkt alleen wel dat clubs nog enige afstand houden. Ze zeggen hem dat ze een persoonlijkheid zoeken, maar als hij het woord neemt, laat hij hen soms vertwijfeld achter. Hij is dwingend, eist mensen om zich heen met een hoog IQ die het liefst dag en nacht willen werken. Willen ze dat wel écht? „Die mannen willen blijven meebeslissen. Ik kan super met een directeur werken, maar ze moeten inhoudelijk top zijn en dag en nacht voor de club knokken. Willen ze dat, dan ben ik de perfecte man. Nederlandse creativiteit, Duitse discipline.”

Later: „Mijn imago is een kwestie van alles of niets. Als ik goed presteer, vinden ze me super, super toll. Gaat het slecht, dan noemen ze me een dorpsgek. Tja, ik ben geen grijze muis.”

    • Fabian van der Poll